Vorig jaar rond deze tijd heb ik me enorm opgewonden over een Turkse jongen die bij mij kwam klagen over het feit dat de dokter hem niet de juiste zorg gaf. Althans, in de ogen van deze jongen zelf werd hij verwaarloosd. Hij kampte met een vorm van bloedarmoede en koesterde de gedachte dat een enkele pil al zijn klachten voor eeuwig kon verhelpen. De jongen vroeg aan mij of ik een brief wilde schrijven aan de medische tuchtraad, daar hij - geboren en getogen in Nederland - niet in staat was om zelf een foutloos geschreven brief samen te stellen. Toen ik informeerde naar de herkomst van zijn klachten, werd hij opeens minder spraakzaam.
Op het moment dat die Bijlmerknaap een relaas deed over hoe hij op zevenjarige leeftijd zijn leuter bij het meisje naar binnen drukte, beving mij enkel een gevoel van jaloezie. Toen documentairemaakster Mildred Roethof ook nog liet zien dat die jongens en meisjes uit de Bijlmer seks gewoonweg bedrijven in de kelderboxen van flatgebouwen, was de kinnesinne die zich meester van mij had gemaakt al helemaal niet meer te temmen. Ik mocht pas op vijftienjarige leeftijd voor het eerst over een meisje heen. Dat was in een warme zomer, ergens in de Diepenveense bossen. Na afloop telde mijn toenmalig vriendinnetje elf muggenbulten op mijn billen. Nee, dat was niets. Doe mij dan maar zo´n kelderbox.
Die ochtend kroop ik uit mijn bed in de wetenschap dat ik allengs verwerd tot de persoon uit het doemscenario dat ik reeds tien jaar geleden had gekenschetst. De wekker van mijn telefoon gaf de stem aan deze bewustwording. In de douche sloeg ik mijn verwaarloosde lijf gade, het lichaam dat ooit bejubeld werd door de atletische vormingen en de onuitputtelijke conditie waarin het iedere dag, ondanks eerdere inspanningen, zou verkeren. Ik dook in mijn zwarte pantalon en hees me in het krappe overhemd van de Bijenkorf. Bij het soigneren van mijn gezicht, trof ik de eerste grijze haartjes aan in het spiegelbeeld van mijn halfnatte haar. Ik had nog twintig minuten eer mijn trein zou vertrekken.
Voor zover ik weet, is er maar één plek op de wereld waar het leuk is om te wachten. Dat is op het busstation in Amersfoort. Geen betere locatie in Nederland om aapjes te kijken, of het moet Hoog Catharijne zijn in Utrecht, maar daar is het hoge aantal zwervers en hangjongeren ronduit vervelend. Nee, doe mij dan maar het middelste bankje op het busstation van Amersfoort. De luciferbank, zoals ik hem liefkozend noem, daar kun je vrouwelijk schoon van alle pluimage bekijken en het aantal vervelende typetjes is marginaal. Echter liep mijn bewondering voor deze plek in de afgelopen week een flinke deuk op.
