Buren
Tegenover het studentencomplex waar ik woon, staat een aftands flatgebouw. Driehoog. De kleur van deze flat is een vreemdsoortig blauw. Niet een kleur blauw zoals je die nu voorstelt in gedachten, maar een kleur die voortgekomen is uit armoede – dat moet wel. Alsof de inhoud van de pot saffierblauwe verf erg karig was, waardoor de schilders besloten om deze verf eindeloos te verdunnen met water of zo. In het gebouw woont niemand, lijkt het. Ik zie alleen iedere zondag een man van rond de dertig op een balkon lopen die met weinig ijver aan een sigaret begint. Het ziet er bijna uit als een plichtpleging, zoals hij rookt.
Verslaafd aan mijn mobiel
De onbekende man kijkt op zijn eenvoudige horloge en vertelt prevelend dat het bijna vijf uur is. Ik bedank hem voor die mededeling, ga naast een niet-onaantrekkelijke doch jonge griet van amper achttien jaar zitten en parkeer mijn beide handen in mijn broekzakken. De dagen worden langer, valt me op. Dat geeft me een plezierig gevoel. Ik zoek met mijn rechterhand de mobiele telefoon in mijn binnenzak en schuif de voorzijde omhoog. Er gebeurt niets. Geen licht. De batterij is leeg. En dat wist ik eigenlijk ook wel, maar om een of andere reden grijp ik op een welhaast neurotische wijze naar de gsm. Mijn korte-termijngeheugen is kennelijk niet meer wat het was, of ik ben in de ban van het automatisme. Dat kan ook.
Gastronomische vorm van racisme
Ooit ontmoette ik ’s ochtends vroeg, na een lange zomeravond stappen in de binnenstad van Deventer, een zelfbenoemde tegenstander van de multiculturele samenleving, daar kwam hij openlijk voor uit. Hij was getooid in een zwarte bomberjack en een witte trui van het merk Lonsdale. Hij droeg een aftandse spijkerbroek en had witte veters in zijn kapotgelopen kisten. Kortom, hij markeerde met zijn voorkomen het stereotype dat heerst rondom veel rechts-extremistische jongeren. Wij waren beiden dronken, doch er heerste geen agressieve sfeer. We bespraken – heel amicaal – zijn bezwaren.