Zij scande mijn boodschappen in een laag tempo. Na ieder product wierp ze een glimlach mijn richting op. In de C1000 was het niet zo druk, maar mijn buurtsuper wordt überhaupt door weinig volk bezocht. Terwijl ik zo snel mogelijk mijn boodschappen in de tas deed, onderwijl oogcontact met haar collega achter kassa 2 probeerde te maken, zag ik dat ze een dof vlekje in mijn jas zat te bestuderen. ‘Zal ik dat even eruit vegen?’ vroeg ze. Ik zocht met een neerwaartse beweging de vlek. ‘Oh, dat regel ik zelf wel. Toch heel vriendelijk van je.’ Het kassameisje kreeg een rood kleurtje, gaf me een aantal wasbonnen waar ik behoefte noch recht op had en kondigde het bedrag aan dat ik moest betalen.
De vraag is zo oud als de weg naar Kralingen. Nu weet ik eerlijk gezegd niet hoe oud die weg naar Kralingen daadwerkelijk is, maar ik kan me er enige voorstellingen bij maken. Dus ik bracht een vraag te berde. Die vraag luidt: Wat maakt een vrouw aantrekkelijk? Geen moeilijke vraag, dunkt me. De man heeft zich reeds enige tijd in de materie verdiept. Zo’n paar duizend jaar, om niet exact te zijn. Voor mijzelf ben ik er uit. Ik kwam er achter op vijftienjarige leeftijd, toen een vriend me wees op het feit dat ik standaard geil liep op dat type meisje. Na enig verzet van mijn kant bleek zijn constatering juist. Ik bleek een fetisj te hebben.
Zij kwam na een sprint van minimaal vijftig meter naast mij zitten. Volgens de dienstregeling had de trein drie minuten eerder moeten vertrekken, maar om onduidelijke redenen stond het gele monster bewegingloos langs het perron. Het meisje van zestien, met zwarte krullen en kopergroene ogen, bestudeerde mij opzichtig. Ik wierp een zijwaartse blik op haar en concludeerde dat zij potentie had om lekker te worden, maar ze moest nog rijpen. Dat wel. Zeker drie jaar. Ze staarde me onverzadigbaar aan en onderwijl kon ze maar moeizaam op adem komen. Dat kwam door die sprint. ‘Wat moet je?’ vroeg ik na een paar seconden, gewoon om het ijs te breken.
Daar liep ik weer, over de klinkers van het Bergschild. Iedere keer als ik daar wandel, richt ik mijn ogen op het Franse balkon, op de eerste verdieping. Dat is niet zomaar. Mijnheer Bosveld woont daar boven, mijn vroegere docent Geschiedenis van de mavo - tien jaar geleden. Soms zit hij weleens aan het grote raam, als het warm is. Dan kun je een glimp van hem opvangen. Mijnheer Bosveld, of ‘Bosveld’ zoals mijn klasgenoten hem oneerbiedig plachten te noemen, is een gedistingeerde man van ruim in de zestig. Ik overdrijf niet als ik vaststel dat hij en ik een speciale band hebben, die is er altijd al geweest.
