De laatste trein vanuit Den Haag richting Zwolle kon vanwege defect materieel niet rijden. Dat was een fikse tegenvaller, zo laat op de woensdagavond, die bovendien erg koud was. Waterkoud, is een betere beschrijving! Eerder die avond had ik met een vrind een fles Jack Daniels geledigd. Glijdend en vloekend bereikte ik het station op mijn nieuwe lederen schoenen en dan krijg je ineens te maken met het wanpresteren van onze spoorwegen. Ik leid een moeizaam bestaan, dat is duidelijk. Ik vroeg aan een verkleumde conductrice hoe ik nu in vredesnaam in Zwolle moest geraken en of zij het ook zo erg vond voor Erben Wennemars. Ze dirigeerde me naar een trein die Gouda als eindbestemming had. Over Erben had ze geen mening. Mokkend en zuchtend plofte ik neer op een zetel in de Sprinter. De reis ving aan.
Een liefhebber van de literatuur heeft geen eenvoudig leven. Het is ronduit frustrerend. Allereerst is er die drang om altijd meer te lezen dan mogelijk is en daarbij dweept een lettervreter over goede boeken en leent hij die uit, opdat anderen deelgenoot worden van een bijzondere orgie der letteren. Maar een goed boek keert niet altijd terug. Er zijn mensen die de slechte gewoonte erop nahouden om boeken niet te retourneren naar de rechtmatige eigenaar. Vanochtend ontdekte ik dat een juweeltje van Louis-Ferdinand Céline, mijn literaire held, ontbreekt in mijn collectie. Ik moest diep nadenken om te achterhalen welk onmens het boek had gegijzeld.
Voor ik opstond uit mijn bed, veegde ik de slaap uit mijn ogen en zocht naar het flesje spa dat een vaste post heeft op mijn nachtkast. Nadorst, u bent bekend met het fenomeen. Eenmaal naast het bed rook ik een vreemd, zuur luchtje. Buiten was het aardedonker. De nacht had dienst. Bovendien viel er een sneeuwbui. Een neerwaartse blik confronteerde me met veel ellende. Er waren lichaamssappen aan het laken gekoekt, wijnvlekken sierden het hoofdkussen en daarbij lag er één of andere halfdebiele hoer te ronken op mijn matras. Ik wist niet waar ik haar had opgeduikeld, laat staan hoe die pseudovamp heette. Ik trok het deken een stukje omlaag en keurde haar borsten. Die waren best lekker.
En omdat ik weer niets te doen had, besloot ik erop uit te trekken. Ik liep naar het station, gewapend met een goed boek, en zou wel zien wat de dag van vandaag voor mij in petto had. Mijn bestemming zou worden bepaald door de eerste de beste trein die klaarstond, tenzij het einddoel Friesland was. Daar kom ik niet graag. Het Friese volk is namelijk achterlijk. Serieus, dat is echt zo. In Drachten ontmoette ik ooit een hovenier die me vroeg of wij negers nog steeds zo gediscrimineerd werden in het westen des lands. ‘Ik kom uit Turkije, mijnheer’, was mijn antwoord. ‘Nou goed, jullie Marokkanen dan?’ corrigeerde hij zichzelf. Evenveel ellende maakte ik mee in Haskerhorne.
Vaak nietsdoen maakt een mens moe. Soms gretig. Nog vaker lui. Die gedachten bekropen me toen ik gisteren rond een uur of acht wakker werd. Het vooruitzicht van de dag baarde me zorgen. Ik wist dat ik wederom helemaal niets ging aanvangen en ongetwijfeld in dronken toestand - net als alle eerdere dagen - zou terugkeren in mijn bed. Dus ik besloot erop uit te trekken, naar school gaan en zo. Een mens moet zich niet willens en wetens isoleren. Zeker niet in mijn geval. Dat is karaktermoord. Een bruut misdrijf tegen de mensheid, vooral omdat een ontmoeting met mij een verrijking is voor de dag van een ieder. En ik ben de beroerdste niet. Ik strooi graag met een beetje van mezelf. Dus ik ging.
