Liep vanaf het centraal station in Amsterdam op mijn dooie akkertje richting de binnenstad, op weg naar de uitgeverij. Het motregende. De toeristen krioelden hinderlijk voor en langs me heen. Opeens werd ik in omslachtige bewoordingen gewezen op redding die lonkte, ook voor mij. Twee vrouwen in fluorescerend groene hesjes verzekerden me dat mijn ellendig kutleventje een positieve wending zou krijgen als ik begon te geloven in Jezus Christus van Nazareth. Nog voor ik een cynische opmerking kon plaatsen, begon een provinciaaltje keihard te roepen. ‘Godverdomme!’ Zijn vrienden moesten onbedaarlijk lachen om de paljas. Ik ook, om eerlijk te zijn. Het geloof had de vrouwen lankmoedig gemaakt, zij haalden zwijgend hun neus op voor de beledigende woorden en continueerden hun profetie.
Mijn biertje moest ik heimelijk drinken, het liefst bij hem in de keuken. Maar daar vond ik het niet gezellig, in die keuken, het was er koud en bovendien hing er een penetrante geur van dode lammeren, stevig gemixt met de lucht van opgebrande sigaretten. Hij was bang voor de politie en de gemeente, mijn vriend. Van hen mocht hij namelijk alleen blikken bier meegeven aan de klanten voor thuisconsumptie of ja, waar zij de drank dan ook wilden consumeren. In ieder geval was het niet toegestaan om in de shoarmazaak te pimpelen. Maar goed, ik was al flink tipsy, had net de stad verlaten en was voornemens om een praatje te slaan met mijn goede kameraad de shoarmaboer. Ik kom er al twee jaar lang, in het centrum van Zwolle. Zijn naam vergeet ik iedere keer weer. Dat komt omdat ik in die twee jaar zijn zaak nooit nuchter heb betreden.
Bij binnenkomst drukte het meisje eerst een kus op mijn wang, liet toen haar handtas op de fauteuil vallen en vervolgens haastte zij zich in allerijl naar het toilet. Dat was een slechte binnenkomer, dacht ik. Ik probeer namelijk altijd de wetenschap te onderdrukken dat vrouwen ook naar het toilet gaan, vooral mooie meisjes zouden het niet moeten doen. De nood was kennelijk hoog geweest, zij liet op zich wachten - wel vijf minuten lang. Ik pakte haar tas, drukte mijn neus erin en snoof haar geur op. Haar parfum rook lekker. Ik werd op slag geil. Even was ik vergeten dat zij in de bestekamer een boodschap aan het bezorgen was, misschien wel meerdere. Ik keek naar mijn bed en stelde voor hoe ik haar aldaar helemaal aan stukken zou neuken. Toen dacht ik weer aan het toilet.
Hij keek mij indringend aan, de huisarts. Althans, dat was zijn bedoeling, dat weet ik zeker. Onder zijn vermoeide blik had hij kanjers van wallen. Zijn slecht gecultiveerde baard vertoonde de eerste grijze haartjes, ook was een aantal moedervlekken waar te nemen op zijn gezicht. Hij maakte een zieke indruk. De huisarts zat onderuitgezakt in zijn bureaustoel, tikte voor een moment wat in zijn computer en schonk weer al zijn aandacht aan mij. ‘Hoe is het nu?’ Ik keek naar een prent op de muur waar het menselijke lichaam op was afgebeeld, zuchtte even en maakte een handgebaar waaruit hij moest begrijpen dat het wel goed ging. De dokter verzat even met een ongecontroleerde lichaamsbeweging, verwijderde een pluisje van zijn wollen trui en zakte toen weer in zijn stoel. ‘Wat kan ik voor je doen?’
De sfeer op de straten is van een troostelozer karakter dan het tumult in zijn vermoeide hoofd. Hij laveert langs een aantal mensen, slaakt af en toe een diepe zucht, passeert vertwijfeld donkergrijze panden in de Lange Bisschopsstraat en vat uiteindelijk post op de wenteltrap van een slecht verlicht appartement. Hij heeft een stad verloren. De herinneringen zijn weggevaagd in amper twintig jaar tijd. De arena van de weemoedige verhalen uit zijn tienerjaren is tijdens zijn afwezigheid vakkundig verminkt. Het verlangen ontspon zich later, tijdens zijn speurtocht, toen hij op de tast ging zoeken naar iets of iemand waarmee hij die epoque kon overtreffen. Hij legt voor een moment zijn hoofd in zijn nek, heel kort maar, bestudeert daarna het karkas van de verloren stad en een onaangekondigde traan biggelt over zijn wang.
geschreven voor www.pulpfictie.nl
