Het meisje dartelde monter over de Melkmarkt in Zwolle, lachte beleefd en zonder rancune na iedere afwijzing en was onafscheidelijk van haar witlederen multomap met daarin enkele aanmeldformulieren. Haar job was het werven van nieuwe leden voor het kankerfonds. Ze was er goed in. Terwijl haar collega’s verveeld met elkaar stonden te roezemoezen over populaire aardse zaken, trok het donkerblonde meisje welhaast iedere voorbijganger aan zijn jas. Ik werd ook aangeklampt door haar. Zij deed haar relaas over de noodzaak van meer donerende leden. Kanker was een verschrikkelijk iets, deelde ze me mee, nog te veel mensen bezweken aan de ziekte. Daar was ik het wel mee eens. Ik bestudeerde haar tieten toen ze me enkele statistieken opsomde.
De vraag naar mijn favoriete schrijver wordt me dikwijls gesteld. Het antwoord is helder. Zijn naam is Louis-Ferdinand Céline. Waarom? Daarom. De man kon enorm ritmisch schrijven. Zijn boeken zijn net liederen. De cadans herken je direct als je zijn werk leest. Korte zinnen, enorm beeldend en bovendien bijzonder pregnant. Voorts was Céline de koning van het schelden in de literatuur. Zijn boeken zijn zwart, misantropisch en gelardeerd met galgenhumor. Ik heb een aantal fragmenten en zinnen verzameld voor de liefhebbers. Maar pas op. Literatuur van deze man is verslavend. Begin je aan de reis door zijn letteren, dan kun je niet meer terug.
Mijn uiterlijk heb ik mee. In vele opzichten, overigens. Als ik een nacht ga stappen in een wildvreemde stad lachen alle stoere gasten me vriendelijk toe. Ze hebben respect voor me. Of het nu om booskijkende Marokkanen gaat of olijke koorballen… Iedereen wil mijn kompaan zijn. Waar het vandaan komt, weet ik niet. Nu goed, eigenlijk dus wel. Het heeft met dat voorkomen van me te maken. Ik zie er niet uit als iemand met wie je moet sollen. De meeste meisjes lachen me ook vriendelijk toe en gaan een gesprek niet uit de weg. Behalve als ik dronken ben, en die dames begin uit te schelden. Dat wil wel eens voorvallen, hoor. Ik ben niet het type dat van zijn hart een moordkuil maakt.
En ik liep maar. Kilometers verslond ik. Het was alsof ik alle ellende van de wereld op mijn schouders droeg. Bovendien was ik verdwaald. Hopeloos verdwaald. Ik wandelde door een statige wijk, ergens aan de zuidzijde van Zwolle. In geen enkel huis brandde nog licht. Tot mijn verbazing liep een oudere man, stevig verpakt in donkere winterkleding, mijn richting op, met in zijn hand een spierwitte hondenlijn. Aan het uiteinde van het koord was geen hond te bekennen. Ondanks het grote gemis, liep hij onverstoorbaar door, zoals hondenbezitters zo routineus kunnen lopen. ‘Mijnheer,’ zei ik, ‘weet u misschien hoe ik thuis kom?’ Hij keek me aan zonder enige vorm van emotie in zijn helblauwe ogen. Hij was een man die zich neer had gelegd bij zijn lot, zonder illusies zou hij het leven uitzitten.

