De ontheemde ziel

Toen die nacht besloot ik, misschien in een vlaag van geestelijke armoede, om een kroeg aan te doen. Want ja, als je dorst hebt, kun je beter drinken. Zoveel dorst had ik overigens niet. Het was iets anders. De gedachte aan haar borrelde op. Weer! En de herinnering aan haar én de beelden van haar feeërieke voorkomen gaan de laatste weken hand in hand met alcohol. Ik nam zetel op een kruk aan de eiken toog en bestelde bij de olijke barvrouw in laveloze toestand een whisky met veel ijs en weinig borrelpraat. Ze was niet gecharmeerd van mijn proleterig gedrag, doch kweet zich met tegenzin van haar taak. Nog voor het glas zijn bestemming had bereikt, verzonk ik hulpeloos in een dronkenmansslaap, in medias res, en het geluk beroerde me, want ik zag haar en zij lachte en wreef met haar fluweelzachte hand over mijn kruin en sussend zei ze dat ze nooit van mijn zijde zou wijken.

Lees verder »

Taakstraf (deel 2)

Doppenberg liep richting de vijver. Hij tilde de zeis op en woog het gereedschap. Aan de hand daarvan bepaalde hij de lengte van zijn aanloop. ‘Een meier, hè?’ vroeg hij voor de zekerheid aan Hannes. ‘Er zijn hier zes getuigen. Ik kan er niet meer onderuit.’ Doppenberg nam zijn aanloop, draaide driemaal om zijn as, werd kennelijk zo duizelig dat zijn slingerworp afweek naar links en aan die kant, met een plons, in het water belandde. Weer moest iedereen onbedaarlijk lachen. ‘Kanker, man!’ riep Doppenberg. ‘Willem gaat me neuken.’ Er zat voor hem niets anders op dan stilzitten bij ons. ‘Nu gaat de tijd heel langzaam,’ verzuchtte hij. De zon brak door. Iedereen lag intussen op zijn rug. Er was even stilte. Toen vroeg ik aan Richard: ‘Vertel eens wat meer over je vriendin, is het een leuke meid?’ Richard kwam overeind, duwde zijn zonnebril verder tegen zijn gezicht en stak van wal. ‘Wat een ongelooflijke hoer is zij, man. Zegt ze dat ik zaterdag nog wel op de verjaardag van haar moeder moet komen, voor een laatste keer. “Bekijk het maar”, zei ik, “ik ben gekke Henkie niet.”’

Lees verder »

Taakstraf (deel 1)

De laatste, Turkse, jongen stapte uit zijn BMW, liep onze kant op en nam zetel op het plekje dat nog beschikbaar was. We gingen op pad. In de bus keek ik eens goed om me heen. Op een puber na was ik de jongste van het gezelschap. Het was maandagochtend. De werkmeester floot een deuntje, draaide zijn raam open en plaatste zijn hand half op het dak van de Volkswagen Transporter. ‘Willem, waar gaan we eigenlijk heen?’ vroeg de kamper op leeftijd die in de passagiersstoel zat. Willem, de werkmeester, ontwaakte uit zijn overpeinzingen en keek over zijn schouder naar ons. ‘We gaan naar het bos, jongen! Biddinghuizen! Zeisen!’ Iemand schuin achter mij, een man van veertig met een zonnebril op, slaakte een diepe zucht. Ik wierp een blik op hem. ‘De vrouw, man. Ik heb het helemaal gehad met die hoer. Ik mag er ook niet meer op. Ze wil in Zwolle wonen, man. Ze rot maar mooi op.’ Ik knikte en wist dat mijn taakstraf begonnen was.

Lees verder »

Een wandeling

‘Morgen zal alles anders zijn,’ stelde ik de sombere Vietnamese loempiaboer gerust. ‘Die dag na vandaag?’ vroeg hij ernstig. Ik knikte instemmend. ‘Dan zal God ons omarmen en Zijn onberispelijke liefde valt niet te onderschatten, makker.’ Mijn boodschap toverde een glimlach op zijn gezicht. In de verte weerklonk een Aziatisch deuntje, ik veronderstelde dat hij ergens een wereldradio had staan. De wind blies lomp in de rondte. Veel mensen waren er niet te bekennen in de Zwolse wijk Holtenbroek, enkel een aantal neringdoende flikkers en bijzonder lelijke scholieren. ‘Nog eentje, nog eentje,’ drong hij aan. Ik overdacht zijn vraag, bestudeerde de loempia in zijn hand, kwam tot de conclusie dat die hufter me alleen gebruikte om tijd te doden en sloeg het aanbod beleefd af. Ik ging maar aan de kuier, even uitwaaien. Mijn hoofd liep om.

Lees verder »

Ingekomen mail: Lucie Mosterd

Nou, mevrouw Lucie Mosterd. Ik heb uw mail met veel belangstelling gelezen, maar ik denk dat u na de technische knock-out van Peter R. de Vries niet erg sterk in uw argumentatie staat. Mocht ik ooit in het anderhalve jaar waarin ik ‘het drama’ van uw dochter nauwgezet volgde de plank hebben misgeslagen, dan had ik zonder aarzeling mijn excuses aangeboden. Maar ik zat er niets naast. Niet eens een beetje. Ik zat dicht op de bronnen. Ik had contact met mensen uit uw omgeving, bezorgde burgers die het een en ander wilden ontvouwen. Ik wist dat Maria alles bij elkaar loog. Als u straks publiekelijk uw excuses aanbiedt, mag u mij overslaan. De publiciteit heeft me geen windeieren gelegd.


Design by:WebsiteNow
                                                                                             Copyright Ozcan Akyol
RSS