Alledaagse homo’s
Ze waren verbolgen over de uitspraken die de tweede man van het Vaticaan had gedaan. De jongen met het donkere haar vertelde ernstig hoe hij het nieuws tot zich had genomen en welke onmetelijke woede zich meester van hem had gemaakt. ‘Het zijn gewoon zieke gasten, man. Ze moeten allemaal opgesloten worden.’ Ik keek op van mijn boek en sloeg de niet zo latente homo’s gade. De trein had net het station van Ermelo in razend tempo gepasseerd, een conducteur controleerde in de verte zielloos de kaartjes, binnen zat het reizende volk knorrig voor zich uit te staren, met uitzondering van de twee kompanen; zij waren in de greep van de katholieke bullebak. Ik liet mijn boek voor wat het was, verzat even en bestudeerde aandachtig de jongens die schuin tegenover mij zetelden in de stiltecoupé.
Homo’s. Een somber volk, dacht ik onwillekeurig. Het wordt maar opgejaagd door Marokkaanse straatstrijders en moet genoegen nemen met Gordon als belangrijkste representant. Maar het zijn ook notoire querulanten, vergis je daar niet in. Dikwijls kun je een holtor beter niet stangen of hem met zijn neus op een aantal biologische feiten drukken, bijvoorbeeld door te zeggen dat zijn slag meer terroristisch van aard is dan welke dierenactivist of godsdienstfanaat ook. Zo verzekerde ik ooit, in een Arnhemse kroeg, een van die lieden dat de mensheid ten einde zou komen als iedereen besloot als homoseksueel door het leven te gaan. De voortplanting zou immers in gevaar komen. Boos dat hij werd!
Mijn contemplatie werd bruut verstoord door een enorm zure geur. Mensen keken omstandig om zich heen, maar vonden de bron niet. Toen zag ik de twee homo’s gniffelen. De jongen met het blonde haar zat hevig te waaieren met een platte hand. Hij had een scheetje gelaten, de brutale flikker.
De trein bereikte Amersfoort en de mutaties logen er niet om. De reizende populatie was zeker gehalveerd, maar de twee vrinden zaten er nog steeds. De jongen die zich eerder zo had opgewonden over de uitspraken van het Vaticaan knoopte zijn colbert open. Hij was echt een dandyeske hufter. Zijn vriend daarentegen zag er vrij haveloos uit in zijn afgetrapte gympies en besmeurde trui. Ze begonnen elkaar over hun bolletje te aaien en bespraken op gedempte volume een kennelijk precair onderwerp. In de verte was dezelfde conducteur als eerder bezig om een boete uit te schrijven aan een oud vrouwtje. Altijd mooi, dacht ik. Bijna synchroon sloegen de tortelduifjes een been over het andere. Ik zag de gelaatskleur van de jongen die eerder zijn kont niet in bedwang had weten te houden, veranderen in de kleur, ehm… Doe maar rood.
‘Wat heb jij gedaan!?’ schreeuwde de blonde jongen nu door het hele treinstel. Die knakker naast hem keek beschaamd naar mij, maande toen zijn liefje tot kalmte en trok hem aan zijn arm terug op diens stoel. ‘Het was een vergissing, ik had te veel witte wijn op,’ verontschuldigde hij zich. Met veel bombast, gespeelde emotie en onbedaarlijk huilend resumeerde het slachtoffer, zonder dat iemand daarom vroeg, ik al helemaal niet, een periode van anderhalf jaar verkering. ‘Weet je nog die ene keer,’ zei hij, ‘dat we dronken op de fiets belandden in het talud aan de Schipperswal? Hoe romantisch was dat. Je klamme handje in mijn broek. De passie!’
Nu begon de andere homo ook te huilen. Ik moest kokhalzen, doch wist ternauwernood de achttien hotwings die ik eerder die dag bij de KFC had gegeten, binnen te houden, zij het met moeite die niet te onderschatten valt. De jongens omhelsden elkaar stevig en schreiden door in elkaars armen. Mocht ik een strop in mijn tas hebben gevonden, ik zou geheid de deugdelijkheid van zo’n treinplafond onderwerpen aan een lakmoesproef.
Maar wat gebeurde er nu? De vreemdganger werd met mietjeskracht naar achteren geduwd, hij kaatste terug van het raam en riep: ‘Auw. Sufferd, waarom doe je dat?’ Zijn vriend bette zijn tranen met een van zijn mouwen. ‘Jij deugt niet. Ilona had dit al voorspeld!’ vertrouwde hij hem toe. Toen begon-ie op een vreemdsoortige manier, alsof hij aan het watertrappelen was met zijn handen, in te slaan op de gozer die hem bedrogen had. Ik keek naar het tafereel en hoorde een van de jongens wederom een scheet laten. Het was inderdaad weer de blonde jongen. Hij keek me aan en riep: ‘Sorry.’ Daarna herpakte hij zich en mepte weer door op zijn partner.
De conducteur waggelde ons treingedeelte binnen en nam de jongens van de verkeerde kant in ogenschouw. Toen had hij mij in zijn vizier. Ik schudde mijn hoofd, waaruit moest blijken dat ik me ergerde aan hen. De kaartjesknipper liet er geen gras over groeien. Hij pakte beide jongens bij hun nekvel, beval hun stil te zijn en besloot toen, in al zijn wijsheid, alsnog een boete uit te schrijven. ‘In een stiltecoupé moet je stil zijn!’ was zijn argument. Dat vond ik billijk. Ik keek uit het raam, dat deed ik nog een keer, en nog een keer, vooruit, toen nog maar een keer. De conducteur liep weg nadat hij klaar was met zijn administratie. De jongens draaiden ostentatief hun ruggen naar elkaar. Ze zwegen de rest van de reis. En dat was maar goed ook, voor iedereen.