Bekertje

… werd ik voor een tijdschrift geïnterviewd, ergens in het centrum van Amsterdam, terwijl een poes heel lui tegen mijn voeten lag – het kan allemaal in onze hoofdstad. De journalist stelde een paar vragen. Hij hield een kladblok en pennetje in zijn handen. Een memorecorder vond hij ingewikkeld, dat vertelde hij vlak voor ons vraaggesprek, dat ik over vijf jaar waarschijnlijk vergeten ben, zo goed was het niet, of ik moet dit stukje nogmaals onder ogen krijgen.

Buiten liepen de mensen steeds sneller, op de vlucht voor grijze wolken, die slecht weer voorspelden. De man van het blad vroeg of ik een plan voor ogen had voor de komende jaren, of dat ik het allemaal op zijn beloop liet gaan. Ik vertelde over mijn ambities, want een plan heb ik wel degelijk, zeker voor het decennium dat voor ons lag – allerlei literaire voornemens, die ik met de nodige rust moeiteloos kan uitvoeren. Ik was dus bezig met vertellen, toen plotseling een man het café in rende.

Hij was midden dertig, droeg een grijze colbert en hield een aktetas vast. Misschien een accountmanager, of pro-Deoadvocaat, meer kon ik er niet van maken. De barman salueerde hem, zoals alleen vrienden of bekenden dat doen, een klant bejegen je anders. De nieuwe gast leunde tegen de bar. Uit het niets stond er een blauw bekertje voor zijn neus, zo een die ik vroeger meekreeg naar school, maar dan een kleiner exemplaar, met een rood deksel en een grijs omhulsel van rubber.

Waar kwam dat ineens vandaan?

De interviewer stelde ondertussen de standaardvragen die een schrijver krijgt, waardoor ik mijn aandacht kon verleggen naar het bekertje, dat nog steeds op de bar stond, in afwachting van iets wat mij nu al mateloos fascineerde. De accountmanager of pro-Deoadvocaat werd gebeld, stopte een vinger in zijn oor en legde het toestel op zijn schouder. Het ging over een afspraak. ‘Ik ben er makkelijk op tijd.’

De poes aan mijn voeten rolde in een comfortabelere positie. Ik wierp een blik onder de tafel, die beantwoordde zij met een geeuw, om vervolgens weer weg te dommelen.

Wat een leven.

Ik bleef vertellen over literatuur, televisie en mijn persoonlijke situatie. Ergens tijdens dat vaste riedeltje tilde de accountmanager of pro-Deoadvocaat zijn hoofd op en bestelde een koffie. Ik wist niet welke soort, dat kon ik niet horen door alle rumoer, maar dat hij een bestelling plaatste, leed absoluut geen twijfel.

De barman pakt het bekertje op, bracht het naar zijn koffieapparaat, drukte op een tweetal knopjes en modderbruine drab stroomde uit de machine. De eigenaar van het bekertje was inmiddels naar het raam gelopen. Hij keek naar de hemel, knikte afkeurend en taterde verder in zijn telefoon. Misschien zou hij nu het regende niet op tijd op zijn afspraak verschijnen, de gevolgen kon ik niet inschatten, maar dat hij ervan baalde was duidelijk.

Ik werd bedankt voor bewezen diensten en de journalist verliet onze tafel. Nu kon ik mij volledig op de accountmanager of pro-Deoadvocaat concentreren. Ik haalde mijn bril uit mijn binnenzak, loerde naar hem en zag zijn handen trillen, bijna op een vast ritme, met nu en dan een uitschieter. Hij was nogal zenuwachtig, naar het zich liet aanzien, de reden bleef voor mij een mysterie, voor altijd, daar legde ik me bij neer.

Het bekertje stond ontheemd op de bar. Damp steeg uit een klein gaatje, waarschijnlijk bestemd voor de mond van de accountmanager of pro-Deoadvocaat, handig voor onderweg. Hij hing de telefoon op, betaalde niet, maar verdween met zijn aktetas en de koffie uit het café. Ik vroeg de barman of ik zo’n bekertje kon kopen. Dat was niet het geval. Daarna ging de poes anders liggen, nu op haar rug. Ik keek weer onder de tafel. Maar zij sliep heel diep.