Bij de huisarts

Echt regelmatig zal je mij niet vinden bij de dokter. Maar een keer in de zoveel jaar wip ik er wel eens langs, al is het maar omdat ik me zorgen maak over de lange periodes van gezondheid die mij ten deel vallen. Daar is mijn leefgewoonte niet naar, vind ik. De laatste keer dat ik op bezoek was bij mijn huisarts was hij een Nederlandse man met een goedlachse en zeer behulpzame assistente. Ze zaten in een aftands pand aan de Singel, net buiten het centrum van Deventer. Tegenwoordig is de dokter een Turk en zit hij in een gloednieuw pand – ook aan de Singel. Vrij revolutionair, als je het aan mij vraagt. Doch één ding is niet veranderd: de assistente is in al haar vriendelijkheid gehandhaafd.

Bij binnenkomst viel mij op dat mijn nieuwe huisarts zijn praktijkruimte deelt met drie andere artsen. Dat is toch, hoe je het wendt of keert, een offer. Het was zelfs zo erg dat de patiënten van de vier vakbroeders tezamen in een grote ruimte wachten moesten op hun consult. Aan de muur, boven de deur van het magazijn, had men een telefoon vastgemaakt, daaromheen hing een reeks van tekeningen die door jongere patiënten als geschenk is overhandigd. De intercom van de telefoon sprong om de zoveel tijd aan en een vrijwel onverstaanbaar stemmetje vertelde wie als volgende bij welke dokter naar binnen mocht lopen. Handig voor de welhaast dove man van vierennegentig die tegenover mij zat. Ik vroeg voor de zekerheid aan de assistente of ik hier goed was. Dat was ik. Ze dirigeerde mij naar een stoel, maar niet voordat ze me had toevertrouwd dat ik enorm veranderd was in al die jaren.

De hoogbejaarde man was in een conversatie verwikkeld met een Indische vrouw, die op haar beurt ook niet de indruk maakte dat ze in de bloei van haar leven was. Het gesprek ging over wederzijdse ervaringen in de tweede wereldoorlog en over de huidige Nederlandse politiek. De oude man herinnerde hoe hij rogge moest bewerken, in een periode dat er welhaast niets meer te verkrijgen was en de Duitsers nagenoeg alles van zijn vader hadden afgepakt. De Indische vrouw vertelde over soortgelijke ervaringen, over haar vader die een koppige man was en bovendien pienter, slimmer dan zijn landgenoten, waardoor zij thuis altijd iets meer te eten hadden. Toch had de vrouw ontzag voor de oude man: ze vousvoyeerde hem praktisch in iedere zin, tot aan het punt dat je aan een ostentatief oogmerk denkt, en hield decente afstand van de grijsaard, die steeds dichter bij haar kwam zitten.

‘Nou, nou, nou,’ riep de oude man met een door shag en jenever versleten stem, ‘die Gèrt Wilders roept ook maar wat. Al die arme mensen die hier gekomen zijn omdat wij het werk niet wilden doen. Ik heb eens met zo’n Turkse jongen gewerkt en dat was gewoon een goede arbeider. Niets op aan te merken.’ De vrouw knikte bijna onafgebroken en wachtte op haar moment om hem bij te vallen. ‘Mijn zoons hebben alle drie gestudeerd,’ merkte ze op, ‘maar zij weten niet of ze nog hier willen blijven. Het politieke klimaat baart hun zorgen, zij weten niet of ze hier nog welkom zijn.’ Dat had ze ergens gelezen in een krant, dat lijdt geen twijfel. De man knikte nu, zij het wat moeizamer. Hij stak zijn hand op, alsof hij de beurt vroeg om weer iets te zeggen. ‘Mijn vader zei altijd: je moet vliegen met stroop vangen, niet met azijn.’ ‘Uw vader was een wijs man.’

Intussen was de vitale man van vierennegentig, want die titel mag hij zonder twijfel dragen, weer een stuk dichter bij de vrouw gaan zitten, door zijn stoel in fases naar haar toe te schuiven. Ze voelde zich ongemakkelijk. Eerst boog ze haar lichaam wat naar de buitenkant toe en toen veinsde zij interesse in een Libelle van drie maanden geleden. Ze stond op en bewoog naar de tafel die voor mij stond, de plek waar de leesmap op lag. ‘Hallo,’ zei ze bij haar buiging naar de blaadjes. ‘Dag mevrouw,’ zei ik. ‘Ik denk dat mijnheer dichter bij u gaat zitten omdat hij niet zo goed hoort. U zou er dus goed aan doen om wat luider te spreken.’ Ze ging weer rechtop staan en nam plaats in de stoel naast mij. ‘Wat zegt u, mijnheer?’ Ik zei met een verheffing in mijn stem: ‘Ik denk dat mijnheer niet zo goed hoort, dat hij daarom zo dicht naast u gaat zitten.’ Op dat moment werd mijnheer van Schaijk door de intercom verzocht om zich te bewegen naar de praktijkruimte van Dokter Reddingius. Ik keek naar de man van vierennegentig. Hij bleef zitten.