Chauffeur

Met een roedel andere schrijvers, stuk voor stuk zwaargewichten, mocht ik optreden tijdens een literair festijn, op een idyllische plek in het uiterste zuiden van Gelderland.

Adriaan van Dis, mijn figuurlijke buurman – we wonen 10 kilometer van elkaar – vroeg of we samen erheen konden rijden, want hij moest ook acte de présence geven en het was véél gezelliger om gebroederlijk die tocht te ondernemen. Hij had volkomen gelijk.

Eenmaal op onze bestemming, een kasteel en een fort, maakte ik kennis met de enorme populariteit van mijn oudere collega, die toch een levende legende is.

De early birds staarden hem aan alsof ze zojuist, door een onverklaarbare samenloop van omstandigheden, oog in oog waren komen te staan met een aartsengel. Sommigen bogen nederig hun hoofd. Anderen wilden een handtekening.

Het voelde alsof ik de hort op was met Mick Jagger.

Toen twee meisjes van de organisatie hem ontwaarden, beenden ze onze kant op, allebei met veel papier in hun hand, ongetwijfeld met daarop een aantal cruciale instructies.

‘Goedenavond, meneer Van Dis,’ riep een brunette. Ze schudde zijn hand. Om er zeker van te zijn dat ik niet onzichtbaar was geworden, ging ik tussen hen staan.

‘Hallo, ik ben Hasan, de chauffeur van deze schrijver.’

‘Welkom Hasan, fijn dat je hem veilig hebt gebracht.’ Ze keek in haar papieren maar kon niet vinden wat ze met het personeel van de auteurs moest doen. Ik kreeg een pakje appelsap.

Adriaan en ik slenterden naar een boom, waarvan de stam omzoomd was door houten bankjes, overwoekerd met mos. Een andere dame meldde zich bij ons.

Met veel enthousiasme heette ze hem welkom. Mij zag ze niet zitten. Toen zei ik maar weer: ‘Ik ben Hasan, de chauffeur.’ Als ik wilde mocht ik een broodje kaas of ei pakken – in de zaal van het optreden was helaas geen plek meer.

We moesten nog een halfuur wachten. Adriaan werd gekaapt door fans.

Toen werd ik eíndelijk herkend, nota bene door een vrouw van in de 60, die vermoedelijk mijn stukjes in deze krant leest.

‘Jaaa, wat leuk!’ zei ze. ‘Ik ben speciaal voor u gekomen, meneer Benali. U schrijft fantastische boeken.’ Het enige wat ik dacht: ik heb nog een lange weg te gaan.

( deze column verscheen eerder in het Eindhovens Dagblad )