Confronterende dialoog met een Marokkaan
Over het algemeen gesproken, durf ik te stellen, zonder me te beroepen op significante aanwijzingen, dat een Turkse Nederlander in een beter daglicht staat dan een gemiddelde Marokkaan. De Marokkaanse populatie uit Nederland is onderwijl gebombardeerd tot pispaaltje nummer één, voor deze rol hebben velen overigens hard gevochten. Ja, en dat de jeugd bekwaam is in het treiteren van onschuldige mensen, hun baardmensen kundig zijn in het beramen van terroristische activiteiten en dat Ali B een aanslag is op je trommelvliezen, staat volledig buiten kijf… Aperte waarheden. Toch zijn er meer zaken waarbij Marokkanen Turken de loef afsteken.
Zo zat ik vorige week tegenover één van mijn spaarzame Marokkaanse vrienden en maakten we samen een rondje langs alle segmenten van de taart, die we gemakshalve Nederland hebben genoemd. We kwamen als eerste uit bij de sport, voetbal in het bijzonder. Hij wreef bij mij erin dat de laatste Turk die iets betekende in de eredivisie, de ongenaakbare narcist Ugur Yildirim was. Goed, in wat voor vaarwater zijn carrière nu verkeert, weet een beetje kenner wel. Vervolgens begon hij aan zijn opsomming: ‘Ibrahim Affelay, Khalid Boulahrouz, Ismael Aissati, Nordin Amrabat…’ Afijn, dit was een technische knock-out. De Marokkanen in Nederland zijn inderdaad succesvoller in de (voetbal)sport.
Mijn Marokkaanse vriend keek me hoogst voldaan aan toen ik suggereerde dat hij het volgende thema mocht aansnijden. Hij wilde het hebben over politiek in Nederland. Ik moest gelijk denken aan Nebahat Albayrak en het feit dat ze nog steeds op haar post zit – dat is een hele prestatie an sich. Maar naast de cheffin import/export wist ik niemand te noemen van betekenis. Ja, ik had misschien Karabulut kunnen noemen, of een aantal futiele wethouders en anonieme raadsleden, maar daarmee zou ik geen potten breken. De Marokkanen hebben natuurlijk sinds kort Ahmed Aboutaleb met wie ze kunnen koketteren, de toekomstige burgermeester van Rotterdam. Daarbij zijn ze goed vertegenwoordigd in de lokale politiek met figuren als Marcouch, en er grasduinen ook wat Marokkaanse lieden in de tweede kamer. Toen ik de naam Tofik Dibi noemde, schoot mijn Marokkaanse kameraad op van zijn stoel. ‘Voor Tofik Dibi wil ik mijn excuses aanbieden aan Nederland, namens heel Marokko.’
Het was weer mijn beurt. Ik begon over literatuur…. (hapering in het denkproces). Ja, welke Nederlandse schrijver van Turkse komaf is nou van betekenis in Nederland? Ik vroeg om bedenktijd, intussen mocht hij voor de dag komen met zijn troeven. ‘Hafid Bouazza, Mohammed Benzakour, Abdelkader Benali, Hassan Bahara…Uh. Weet jij al iemand?’ Ik keek hem onderzoekend aan. Nee, ik kende eigenlijk niemand… Althans, niemand van betekenis. ‘Wij hebben Orhan Pamuk!’ ‘Maar dat is geen Nederlandse Turk, of wel!’ Zijn ego groeide met de minuut, hij triomfeerde wederom, en dat nog wel op mijn lievelingsthema. Zijn geluk kon niet op. Hij begon nu over de televisie.
‘Ho ho’, zei ik met een overtrokken stemverheffing. ’In Hilversum werken alleen maar homo’s: Turken in Nederland zijn doorgaans geen homo. Nu weet ik dat Marokkaanse homo’s oververtegenwoordigd zijn in de Nederlandse gayscene, maar dat gaat dus niet voor iedere bevolkingsgroep op.’ Hij maakte een wegwerpgebaar en begon te zeuren over Shouf Shouf Habibi, Het Schnitzelparadijs, Dunya en in mindere mate Desie… Mijn Marokkaanse vriend wilde net beginnen aan de namen van alle acteurs die in deze films spelen, maar dat hoefde niet. Ik was overtuigd. Ook in de televisiewereld was er een Marokkaanse hegemonie waar te nemen. Weer moesten de Turken het afleggen.
‘Muziek!’ zei hij erachteraan. Wij hebben Yes-r, Ali B, Appa, Salah Edin en nog wel veel meer. Je hoeft er niet van te houden, dat doe ik ook niet, maar deze gasten hebben wel de hele rapwereld in een houdgreep.’ Ik wilde er verder niet op ingaan. In plaats daarvan sneed ik een ander onderwerp aan. ‘Wij zijn betere ondernemers dan jullie. Wij leveren kruideniers, shoarmazaken, reis- en uitzendbureaus, maffia… Allerlei vormen van ondernemingen waarbij jullie ondervertegenwoordigd zijn. Bovendien zijn we beter vertegenwoordigd op de hogescholen en universiteiten.’ Dat laatste punt zoog ik ter plekke uit mijn duim, al klonk de materie vrij plausibel. Hoe dan ook, hij maakte een optelsom en constateerde dat hij een dikke overwinning had behaald. Dat was ook zo.
‘Shit, man.’ Ik slaakte een diepe zucht. ‘Hoe kan dit nu?’ Ik hing een beetje over mijn glas colavieux en bestudeerde verward het patroon van de massief houten tafel. ‘Dat kun je beter vragen aan iemand uit je eigen kringen.’ Hij keek me lachend aan. ‘Jullie zijn trouwens op een punt ook beter dan Marokkanen… In middelmaat. Geen volk dat zo snel genoegen neemt met het hele idee van huisje-boompje-beestje. Daarom staan jullie ook zo bekend als noeste werkers. De Turkse jeugd wil gelijk trouwen en settelen. Dat is ouderwets, man. Ze hebben weinig ambities.’ Terwijl hij voortbrabbelde, dacht ik na over alles wat wij zojuist besproken hadden. Misschien had hij gelijk, moesten Turken uit hun schulp kruipen en zich meer laten gelden. Nee, niet misschien… Hij had gelijk. Er is werk aan de winkel.