CV ongewenst (door Hans van Willigenburg)
Ik liep over straat en realiseerde me dat ik nog altijd nagenoeg niets was. Door steeds van baan of discipline te wisselen zodra iets dreigde op te vallen of te lukken, had ik mijn futiele status en magere inkomen wonderwel in stand gehouden. Als een compleet stukje onbetekenendheid met twee benen, twee armen, twee handen, twee voeten, een romp en een hoofd was er geen cameraploeg in mijn mening geïnteresseerd en kon ik in mijn vrije tijd (het leeuwendeel van mijn bestaan, dus…) niet alleen alle kanten uit lopen en rennen, maar waren mijn gedachten, zonder de dreiging dat ze door iemand serieus zouden worden genomen, al jaren vrijer dan vrij.
Het voelde als een ongebruikelijke overwinning, maar als eentje die goed bij me paste. Wel had ik op dit moment dorst en besloot zonder veel nadenken een kroeg in te gaan. U weet wel, een ruimte met mensen erin, waar, als je niet uitkijkt, ongecontroleerde gesprekken tot ontwikkeling komen. Zo ook in dit geval. Na wat inleidende beleefdheden wilde een niet bepaald onaantrekkelijk meisje heel graag weten wat ‘mijn ding’ was. Ik weet niet wat er precies met me gebeurde, maar feit is dat een soort kietelend gevoel vanuit mijn onderbuik rechtstreeks in verbinding kwam te staan met mijn keel en dat ik afschrikwekkend hard begon te lachen. Ik stortte werkelijk een halve orkaan aan zopas nog in mijn longen genestelde, maar thans met windkracht elf of twaalf naar buiten gestoten lucht over haar uit. In een abrupte beweging deinsde het meisje dat op zoek was naar ‘mijn ding’ terug voor dit, zeg maar, al te vrolijke geweld.
Toen ik na een halve minuut of zo weer enigszins tot bedaren was gekomen, keek datzelfde meisje met gefronste wenkbrauwen naar het meisje naast haar (een vriendin?), alsof ze zeggen wilde: wat vind jij? Is deze figuur met zijn bizarre gedragingen het waard om nog langer bij in de buurt te verkeren? Een paar seconden was ik er zeker van dat ze samen rechtsomkeert zouden maken, dat ze hun reputatie of imago of wat de mensen tegenwoordig ook met zich mee dachten te dragen niet aan mogelijk nóg een vreemde reactie mijnerzijds wensten bloot te stellen.
Maar iets in hun onderlinge blik moet het signaal hebben gegeven dat er mogelijk op de één of andere manier iets uit mij te halen viel, een heuse belevenis, wellicht, die ze later ooit in een talkshow of tijdens het contact met een machtige filmregisseur of personeelschef zouden kunnen gebruiken. Hoe dan ook: het meisje kwam aarzelend mijn kant weer op en vroeg waarom ik reageerde zoals ik zojuist gedaan had. Hoewel ik daarover stilletjes wel een idee had (dat ik met mijn gekoesterde onbetekenendheid ongeveer wel de laatste was die zich kon beroepen op zoiets als ‘mijn ding’), luidde mijn bewust nietszeggende antwoord dat ik dat zelf ook niet precies wist. Maar daar nam ze geen genoegen mee en zeker haar vriendin niet, die in haar kielzog was mee geslopen en nu, met een zelfverzekerde metalen stem, zei dat ik niet moest denken ‘er zo mee weg te komen’. Dat mijn lachsalvo onmogelijk ‘zomaar uit het niets’ kon zijn opgeborreld.
Dit tweede meisje keek me streng en vorsend aan, vernauwde haar ogen tot spleetjes alsof ze elk moment verwachtte dat ik onder de druk zou bezwijken en een verlossende verklaring zou afleggen. Ik grinnikte om dit type zelfoverschatting. En daarna grinnikte ik om hun blikken, die elkaar opnieuw kruisten en in dat minutieuze ogenblik van elkaar kruisen ogenschijnlijk nu wél tot de eensgezinde slotsom kwamen dat verdere omgang met mij op zijn minst nutteloos en, wie weet, zelfs schadelijk was. In een verongelijkte beweging draaiden ze zich beiden om en liepen druk pratend en in een straf tempo richting de wc’s. Ikzelf draaide me eveneens om, zette mijn drankje op een daartoe bestemde richel en verliet het pand.
Eenmaal buiten trok ik de conclusie dat mijn besluit tot kroegbezoek lichtzinnig was geweest. Hoewel ik zorgeloos en zonder bagage van welke snit dan ook was gearriveerd, als de nonchalante belichaming van een luchtig en vrijblijvend niets, had de ontmoeting met de meisjes me tijdelijk bezoedeld. En was ik, helaas, aanzienlijk in herken- en aanwijsbaarheid toegenomen. Ik kon hoog of laag springen: ik was nu minstens een paar etmalen een heus iemand – een gek? een autist? een doodverlegen freak? – die op vreemde momenten in een knalharde lachkik schoot en schromelijk tekort kwam bij de verantwoording daarvan. De meisjes waren van beide zaken immers onbetwistbaar getuige geweest? Het zat nu in hun database! En wie weet aan wie ze het tafereel allemaal door zouden vertellen!
Mij was onbedoeld een heus curriculum vitae aangesmeerd, althans een ongewenst begin daarvan. Als je dat wilde voorkomen en elke vorm van inhoud of persoonlijkheid radicaal wilde smoren, moest je je, concludeerde ik, nóg verder terugtrekken dan ik nu al deed. In een vacuüm leven. Bijvoorbeeld in de oud romantische vorm van een permanent kamperen op één of ander zolderkamertje of in de meer eigentijdse vorm van een raket die je, liefst voor eeuwig, tot buiten de dampkring schoot.
Hans van Willigenburg is tekstdocent. Hij schrijft normaal – zoals u hierboven kunt lezen – andersoortige teksten. Of u dit literaire uitstapje geslaagd vindt, kunt u hem zelf vertellen op Twitter.