Daar moet een piemel in

… zat ik in het boemeltje tussen Enschede en Deventer, tussen dronken supporters en zenuwachtige conducteurs. Het was laat. De meeste reizigers moesten naar Hengelo of een van de omringende dorpen, waar veel aanhangers van FC Twente wonen. De ploeg won eerder die avond heel eenvoudig van Heracles Almelo, de favoriete club van sportjournalist Tom Egbers. Ik was een van de toeschouwers in stadion De Grolsch Veste.

Ik zat op een klapstoel in een tussencompartiment, dat voor de rest werd bevolkt door een paar opgeschoten jongeren en een lange statige man, die een bruine regenjas droeg, zo eentje uit gedateerde politieseries. Wij waren de enigen met een zitplek, de rest moest staan – logisch. Hij zat ver voorovergebogen, bijna met zijn hoofd tussen zijn knieën, en belde met iemand over het een en ander. Het gesprek had een geheimzinnig karakter. Er lag een krant op mijn schoot. De jongens zongen een liedje voor de blonde conductrice.

‘Daar moet een piemel in. Daar moet een piemel in. Daar moet een piemel in.’

‘Dáár moet een piemel in. Daar moet een piemel in. Daar moet een piemel in.’

De vrouw nam het sportief op, onderhand bekend met de keerzijde van haar werk; lastige klanten, glimlachte vriendelijk en bleef wachten op het volgende station, dat haar zou bevrijden van het dronkenmansorkest. De regen klaterde tegen de ramen, af en toe voelde ik een druppel die op mysterieuze wijze in de trein geraakte. Het zijn dan ook niet de nieuwste boemeltjes die tussen Enschede en Deventer rijden.

De man naast mij, nog steeds voorovergebogen, draaide zijn hoofd mijn kant op en taxeerde mij van top tot teen. Toen hij in de gaten had dat ik terugkeek, sloeg hij zijn blik weer neer. Hij mompelde iets onverstaanbaars. We kenden elkaar niet, maar op een of andere manier was die man met zijn regenjas heel erg op zijn hoede, dat maakte ik op uit de ernst in zijn ogen, de gespannen houding van zijn lichaam. Ik luisterde nog eens goed naar het gesprek.

‘Het was niet nodig. We hadden de kansen. Die penalty vond ik ook erg makkelijk gegeven.’

(…)

‘Ja, als die bal erin vloog, had ik het nog moeten zien of ze wonnen.

Een man uit Almelo tussen tientallen Twente-supporters, nu snapte ik het probleem. Ik sloeg een bladzijde van de krant om, wilde een interview met een schrijver lezen, maar werd constant afgeleid door het gebrul van de andere passagiers. Ze konden hun geluk niet op. Ze hadden de derby gewonnen, dat is nogal een gewichtige zaak in het oosten des lands.

‘Hasj, coke & pillen: zo gaan we zondags op pad,’ zongen ze nu.

Ik wilde opmerken dat het vrijdagavond was, maar dat leek me onbegonnen werk; een dronkenlap is niet voor rede vatbaar, feiten zijn futiliteiten. De man naast mij keek me weer aan. De telefoon kleefde nog steeds aan zijn oor, terwijl de rijtuigen snelheid verminderden.

Station Hengelo.

De trein liep vrijwel leeg. De conductrice zwaaide haar fans gedag. Een nobele daad. Misschien zouden ze later in de nacht, eenmaal thuis in hun eigen dorp, het favoriete barmeisje bezingen, wellicht dat er ook in haar een piemel moest. Hoe je het ook wendt of keert, bij veel vrouwen gaat een piemel naar binnen, vaak vaginaal, maar ook andere ingangen moeten er dikwijls aan geloven, dat is een onbetwistbare zaak.

Afijn.

Ik zat nu alleen in het tussencompartiment met de latente Heracles-supporter. Wat zijn eindbestemming was, liet zich raden: Almelo. Dat was niet ver meer. Hij belde nog steeds een beetje stiekem, niet zeker of ik ook een aanhanger van FC Twente was, of gewoon iemand die van Enschede naar Deventer moest.

Die mensen bestaan, ook op dit late tijdstip.

Ik wilde het niet moeilijker voor hem maken, kwam overeind, vouwde mijn krant op en liep naar een coupé, op zoek naar een fijnere plek.

‘Wacht even,’ zei de man. Ik wist eerst niet of hij het tegen mij had, of tegen zijn gesprekspartner. Hij keek me aan. De grote ogen vertoonden nog steeds de nodige ernst.

‘Ja?’

‘Mag ik misschien die krant van jou?’

‘Tuurlijk,’ zei ik. ‘Maar Almelo is niet ver meer.’

‘Ik moet naar Apeldoorn.’

‘Een fan van Heracles die in Apeldoorn woont?’

‘Mijn vrouw heeft er familie. Ik had weinig keuze…’ Hij zei het beschaamd.

‘Een moetje?’

‘Daar komt het wel op neer. Ga jij naar Almelo? Vond jij de penalty terecht?’ vroeg de man.

‘Hm. Ik denk dat de scheidsrechter het goed zag.’

Ik wilde hem niet langer pijnigen en gaf de krant. Met mijn telefoon zou ik de rit wel doorkomen. De conductrice blies heel hard op haar fluit. Ze perste de opluchting uit haar lichaam. Nu zat er alleen een jongen uit Deventer in de trein. En iets verderop een man uit Apeldoorn, maar die laatste kwam daar liever niet voor uit, om verschillende redenen.