Damkampioen

Mijn vader, die zichzelf nogal goed vond in knutselen, had mijn fietsje voorzien van nieuwe trappers, een glimmende fietsbel en originele fietslampen van Gazelle, teneinde mijn reis naar de andere kant van de stad voorspoedig te laten verlopen. Samen met mijn vier vriendjes, de andere leden van het damteam dat onze school zou vertegenwoordigen op het Deventer Damkampioenschap, pedaleerden wij keurig achter elkaar doch lichtelijk gespannen naar de locatie waar deze wedstrijd werd georganiseerd. Aanvankelijk had de meester beloofd ons te brengen met zijn auto, maar door het veelvuldige kontneuken met zijn homofiele verkering had hij de vermaarde ziekte AIDS opgelopen, dat was ons verteld was door Martin, de conciërge van onze basisschool.

Mark, een hoogblonde jongen uit mijn klas en bespeler van de vierde tafel van ons damteam, had een enorm slot bij zich, net een koperen slang, waarmee hij al onze fietsen aan elkaar wist te verbinden. We liepen onwennig het gebouw binnen, hingen onze jassen netjes aan de kapstok nadat we de entree waren gepasseerd en meldden ons bij een vriendelijke dame aan een tafeltje die ons in een vreemd dialect uitlegde waar we moesten zijn. Toen we voor de deur stonden die naar de speelzaal leidde, zetten we nog eventjes onze yell in. Alleen Klaas deed niet mee, want hij kon zelfs zijn eigen naam niet uitspreken zonder te stotteren.

We zagen op een groot bord dat onze eerste tegenstander Basisschool De Schakel was. Jürgen, een Duitse jongen die pas een maand op onze school zat, maar zich via de kwalificatieronde had geplaatst voor het team en zodoende onze vijfde tafel mocht bezetten, sprak in zijn moerstaal lovende woorden over de opponent. ‘Dieser Gegner ist gefährlich!’ Ik spuugde Jürgen in zijn gezicht, gaf hem een trap in zijn kloten en toonde hem mijn middelvinger, ook omdat mijn kennis van de Duitse taal zich toen beperkte tot gebarentaal. De eerste wedstrijd wonnen wij met 5-0, wat feitelijk inhield dat iedereen zijn potje won. Ook de vier daaropvolgende ontmoetingen wonnen we met gemak.

Het zag er naar uit dat we de finale zouden halen. Daar waren wij stuk voor stuk erg content mee, alleen Ali begon te morren. ‘Ik heb honger,’ riep die fieltige hufter. We zochten allemaal ostentatief in onze zakken, maar niemand had geld bij zich. Daarom besloot ik als aanvoerder van mijn damteam dat er voedsel moest komen, als het niet goedschiks kon, dan maar kwaadschiks. Wij liepen in een groepje naar de aimabele dame die bij de entree aan het tafeltje zat. ‘Mevrouw’, zei ik beleefd, ‘we zijn door naar de finales, maar hebben enorme honger. Zouden we misschien iets te eten kunnen krijgen?’ De vrouw sprong direct op, gaf Klaas een aai over zijn bol en zei: ‘Ik haal meteen broodjes kaas voor jullie.’ Ze vertrok naar een keukentje in de hoek van de hal.

Daarop besloot Ali het kistje dat op de tafel lag te openen, hij graaide het geld eruit en samen haastten we ons naar buiten, om de dichtstbijzijnde snackbar op te zoeken. ‘Das ist wirklich lecker!’ sprak Jürgen euforisch, terwijl een halve frikandel uit zijn muil stak. Ik kneep die klootzak net zo lang in zijn neus, tot hij bijna stikte – we hadden die week voor het eerst verhalen gehoord over de Tweede Wereldoorlog, daarom vond ik die mof niet aardig. Toen we terugkeerden in de zaal was er veel opschudding. Twee agenten doorzochten het gebouw. ‘Jongens,’ zei de dame bij de ingang, ‘hebben jullie iemand gezien die aan mijn kistje heeft gezeten?’ We keken elkaar besmuikt aan. ‘Ik wel mevrouw,’ antwoordde ik, ‘het waren twee jongens met een Noord-Afrikaans uiterlijk en okergele klompen aan hun voeten.’

De omroeper gebood ons team zich te melden in de zaal, want de halve finale stond op het punt van beginnen. Het werd een spannende pot. Vier duels waren afgelopen en de tussenstand was 2-2. Alleen Klaas, de stotteraar, was nog verwikkeld in een hevige strijd. Na tien minuten deed zijn tegenstander een verkeerde zet, waardoor Klaas won en wij ons plaatsten voor de finale. Daar zouden we de confrontatie aangaan met de Cees Wilkeshuisschool. Hun voorman, dadelijk mijn tegenstander in de finale, werd door iedereen gevreesd, want hij had nog geen enkel duel verloren. Hij was een Turkse jongen met een bril, op zichzelf niet zo indrukwekkend, maar hij had als enige deelnemer reeds een snor. Niet zo’n kleintje, ook. Hij had dezelfde snor als de bad guy in de film Commando, die wij toevallig de vorige dag op televisie hadden gezien.

Nog voor de finalewedstrijd begon, verzekerde ik die Turk met de snor dat ik zijn kromme neus recht zou slaan als hij het in zijn hoofd haalde van mij te winnen. En terwijl zijn vriendjes naar mijn dreigement luisterden en mij omstandig bekeken, beloofde ik hen ook een kopje kleiner te maken, althans, als zij het gore lef zouden hebben om te winnen. Ik liet toen het stanleymes zien dat ik uit het knutselhok van mijn vader had gestolen en wreef een vinger over mijn hals, een gebaar dat de tegenstander duidelijk moest maken dat hun einde nabij was. Na vijf minuten hadden we iedere wedstrijd gewonnen. Het werd een afgetekende 5-0 overwinning.

Ik werd uitgejouwd toen ik op het podium stond en de wisselbokaal in ontvangst nam. Maar toen ik een boze blik op de menigte wierp, holden al die kutkinderen richting de uitgang. Ze misten een andere onderscheiding die ik als individuele speler kreeg: ‘Damkampioen van Deventer.’

Wij verlieten als laatsten de zaal, moe doch voldaan. In het fietsenhok zagen we dat we allemaal lekke banden hadden. De tegenstanders waren kennelijke slechte verliezers. Bovendien was mijn fonkelnieuwe bel verdwenen. We liepen met gebogen hoofden terug naar het pand, zochten de vriendelijke dame van de entree op en vertelden wat er was gebeurd. Ze trakteerde ons op een kop chocomel en troostte daarna een huilende Klaas. ‘Het zullen wel die jongens zijn geweest die ook mijn kistje hebben leeggeroofd,’ zei de dame. Mij interesseerde het geen zier. Ik was damkampioen van Deventer. De eerste keer in mijn leven dat ik iets won.