De alcoholist vertelt…
We kwamen elkaar zondagavond tegen op het treinstation van Deventer, de zwaarmoedige alcoholist en ik. Het was overduidelijk voor iedereen op het perron dat hij, een Nederlandse man van veertig jaar, gehuld in een regenjack en een versleten spijkerbroek, niet meer lucide was. Sterker nog, hij was straalbezopen. De vraag was eigenlijk: wanneer was hij voor het laatst nuchter? Ik stond koukleumend tegen een grote pilaar op het station, had mijn beide handen in mijn jaszakken verstopt en sloeg de alcoholist gade. Hij zag mij, begon te lachen en stapte op me af. Met dubbele tong vroeg hij wanneer de trein naar Zwolle zou arriveren. ‘Nog vijf minuten, vriend’, stelde ik hem gerust.
Het was al donker op dat moment en er viel een spatje regen. Maar de kille wind was verantwoordelijk voor de morose entourage die op die zondagavond rondwaarde door de stad. Het station was veelal bevolkt met dagjesmensen en studenten, laatstgenoemden verlieten hun ouderlijk huis om te wederkeren op hun kamer, dikwijls met een grote koffer als bagage. Toen de trein richting Zwolle binnenreed op het perron, keek de alcoholist mij vragend aan. Ik greep hem bij zijn onderarm, wees in de richting van een tweedeklascoupé – mezelf de vraag stellend of hij überhaupt een treinkaart had – en zorgde ervoor dat hij zetelde op een vierzitter. Tegenover hem vatte ikzelf post.
De fluit klonk.
Toen de trein in beweging kwam, ontspon zich een vileine glimlach op het gezicht van de gedaante die tegenover mij zat, alsof hij zijn doel had bereikt. ‘Wat is er?’ vroeg ik. Hij trok de rits van de aftandse laptoptas die hij bij zich had kapot en toverde een fles witte wijn tevoorschijn. ‘Deze komt uit Zuid-Afrika’, wist hij te vertellen. Hierop schroefde mijn nieuwe vriend de dop los en nam een flinke teug. Ik moest lachen. ‘Ik heb net een enorme joint gehad, hier in de coffeeshop op het plein’, vervolgde mijn metgezel, ‘nou, onder ons, ik heb er twee gehad. Maar eigenlijk wil ik het bij één per week houden.’ De andere passagiers keken grinnikend onze richting op. Op het moment dat ik bekende ook een probleemdrinker te zijn, ontstond er iets van warmte – zijnerzijds. Een enkeling ergerde zich aan het volume van ons gesprek.
‘Ik drink nog niet zo lang hoor, pas anderhalf jaar,’ lalde hij door. ‘Ik heb ook wel een huis. Nu ja, huis… Ik heb een kamer, hier in Deventer. Maar ik ben een Zwollenaar in hart en nieren.’ Toen begon hij bulderend te zingen: ‘FC Zwolle, FC Zwolle, FC Zwolle!’ Ik zocht naar het voetbalticket in mijn achterzak, mijn entreebewijs voor de wedstrijd die eerder die middag plaats had gevonden tussen GA Eagles en FC Zwolle ( Deventer – Zwolle), en toonde deze aan hem. Hij was verbaasd. ‘Wat? Ben jij een Deventernaar?!’ ‘Geboren en getogen’, verklaarde ik. De alcoholist greep weer naar zijn fles en drukte hem mijn richting op. ‘Ik hou niet zo van voetbal, uiteindelijk zijn we allemaal broeders. Wil je ook een slok?’ Ik zag de priemende ogen van de andere mensen in de trein en dacht toen: waarom ook niet? Ik nam een flinke teug van de witte wijn.
Het was even stil.
‘Vroeger had ik wel een vriendin hoor, anderhalf jaar geleden of zo. Maar zij is nu bij een ander.’ Bij die woorden zag ik iets veranderen aan hem. Hij zweeg even. ‘Is dat de reden waarom je drinkt?’ Ik had een gevoelige snaar geraakt. Er ging weer een flinke hoeveelheid wijn verloren in de man die gekrenkt is door het leven. ‘Ik heb hen een keer opgezocht, mijn vriendin en haar nieuwe vriend. Daar kwam politie aan te pas en zo. Nee, dat is niet goed, man, als ik die twee zie… Dat loopt uit de klauwen… Ik maak hem dood!’ Hij keek mij even ernstig aan om vervolgens in een uitbundige lachbui uit te barsten. ‘Maar jij bent mijn Marokkaanse broeder’, zei hij. Ik knikte. Ik wilde voor de gelegenheid wel een Marokkaanse broeder zijn.
‘Heb je geen vrienden of familie?’ Op zijn gezicht verscheen weer een glimlach. ‘Vroeger had ik familie en vrienden, toen mijn vriendin nog mijn vriendin was. Nu zijn ze allemaal weg. Omdat het uit is.’ Hij nam een flinke teug van zijn fles, die amper aangekomen in Wijhe geledigd was. ‘God is mijn beste vriend’, voegde hij toe. ‘Ik ben rooms-katholiek hoor. Dat zou je niet zeggen, hè?’ Weer barstte hij in lachen uit. ‘Maar ik heb ook respect voor jullie geloof.’ ‘Wat is mijn geloof dan?’ vroeg ik hem direct. ‘Jij bent muzelman’, verklaarde hij. Ik greep naar de veldfles met Wodka in mijn binnenzak en nam er een slok uit. ‘Dat baseer je op mijn haarkleur?’ De gekwelde man dacht na. Pas na een minuut verbrak hij het stilzwijgen. ‘Mag ik een slok van jouw drank?’
De trein reed het station van Zwolle binnen, de hele coupé stond op om uit te stappen. Mijn nieuwe vriend mengde zich in het gewoel van de haastige massa, zonder afscheid te nemen van mij. In het tussenstuk van de trein hoorde ik hem weer zingen: ‘FC Zwolle olé olé olé’. Ik bleef zitten, net zolang tot de trein daadwerkelijk zou stilstaan. Eenmaal uit de trein gestapt, hoopte ik nog een glimp van hem op te vangen, maar hij was er niet meer. Hij was verdwenen in het duister van de avond. Ik zocht naar de fles in mijn binnenzak en dacht na over mijn motieven. Toen bemerkte ik dat ik al mijmerend verkeerd was gelopen. Een conducteur wilde mij de weg wijzen, net zoals ik dat eerder die avond had gedaan bij de gekwelde man. Ik stelde geen prijs op de informatie van de conducteur. Ik wist nog wel hoe ik moest lopen.