De brugsprong
Verspreid over de gehele lengte van de Wellekade staat een groot aantal ramptoeristen filosoferend en lachend met elkaar te roezemoezen. Ik loop in een traag tempo richting het verlaten terras bij de Wilhelminabrug, op honderd meter afstand van waar de actie zich voltrekt, en besluit een cola te gaan drinken. De uitbater zelf heeft samen met een jeugdige medewerker plaatsgenomen aan een tafeltje. Ze zitten beiden demonstratief met hun rug naar de spoorbrug, de duikplank die de negentienjarige jongen heeft gebruikt voor zijn ‘sportieve duik’ om vervolgens voor eeuwig kopje onder te verdwijnen.
Op de derde dag van de verdwijning van de jongen lijkt vooral de berusting en het relativeringsvermogen zich meester te hebben gemaakt van de mensen in Deventer. Sterker nog, het incident met de jongen heeft heel het land wakker geschud en ons gewezen op de gevaren van een dergelijke brugsprong, dat zag ik op SBS Hart van Nederland – die weten alles. Het is ook wel wat. Van elf meter hoogte in een woeste IJssel springen en dan maar hopen dat je sterk genoeg bent om de (onder)stroming te bevechten. Deze jongen was dat dus niet. Hij deed, volgens ooggetuigen, een noeste poging om naar de kant te zwemmen. Hij faalde daar jammerlijk in. De uitbater kijkt mij met toegeknepen ogen aan en schroomt niet om mij zeker een minuut op die manier te bestuderen.
‘Ik ben geen ramptoerist hoor,’ zeg ik. ‘Ik woon hierachter.’ Hij glimlacht. ‘Dat is maar goed ook, anders moest ik je navigeren naar de volgende brug.’ We lachen allebei. Wederzijdse ergernissen. ‘Maar die jongen is nog steeds niet gevonden?’ vraag ik nog even voor de zekerheid. Hij draait zijn stoel even bij en zoekt zijn balans op de schouder van de jongen naast hem. ‘Nee, die knaap is nu in een andere wereld. Die wordt ook niet meer gevonden, ja, misschien door een visser in Wijhe of Zwolle.’ Een boot met sonarapparatuur vaart in een rustig tempo over de IJssel, gevolgd door een schip van Rijkswaterstaat en de Politie IJsselland. De dienstdoende mensen lachen breeduit, zij hebben het naar hun zin. Ik drink mijn cola niet op, maar loop richting de spoorbrug.
De enige palingvisser van Deventer met een vergunning, Hans, laat zijn netten drogen tegen een muur. ‘Wat een gedoe, hè?’ vraag ik. Hij negeert de vraag, daar het antwoord voor zichzelf spreekt na een blik op de mensenmassa bij de spoorbrug. ‘Zwemt er nog wel genoeg paling in het water?’ vraag ik vervolgens. Hans schudt zijn hoofd. ‘Het is heel slecht op dit moment.’ ‘Je moet een keer naar de Zwarte Zee gaan, in het noorden van Turkije, daar zwemt pas veel vis.’ Hans buldert van het lachen. ‘Dat geloof ik wel, Turken kunnen totaal niet vissen, namelijk. Een paradijs voor de vissen. Ze proberen het wel, wat mooi is, maar ze kunnen het niet.’ Ik lach mee. ‘Molukkers, die kunnen ook niet vissen,’ merkt Hans op. Ik knik begrijpend en loop verder toewaarts de spoorbrug, daar waar een puber verdween in het water.
Op de strandjes van de Welle zijn oude fietsen en brommers gestapeld die naar boven zijn gekomen na het dreggen. Bij iedere nieuwe vondst klinkt er een enorm gejuich vanuit de menigte, soms zelfs een applaus. Hier deelt het cynisme de lakens uit. Onder de brug valt geen spoor te bekennen van de verdwenen jongen. Dat zijn sprong fataal was, staat nu wel vast. Drie meisjes van amper achttien jaar lopen mijn richting op en vragen of de jongen al gevonden is. Ik kijk ze aan. ‘Je dacht toch niet dat ze hier met een schoonmaakactie bezig zijn?’ En ik wijs op een eenpersoonsmatras dat moeiteloos op een stuk gras wordt geplaatst. ‘De jongen is nog steeds zoek.’ Twee meisjes lopen weg, de twee blonde, het brunette meisje blijft bij mij staan. Zij wil het fijne ervan weten.
‘Was het een Nederlander?’ ‘Ja.’ ‘Wat was zijn naam?’ ‘Dat weet ik niet.’ ‘Als ik zijn naam weet en hij komt uit Deventer, dan weet ik zeker dat ik hem ken.’ ‘Oh.’ Ze beschermt haar ogen tegen de zon met haar rechterhand en slaakt een diepe zucht. Het meisje werpt een blik op de IJssel en kort daarna op de ramptoeristen die aan de kade staan. ‘Erg, man,’ zegt ze. ‘Die familie moet nu door een hel gaan. Het zou je eigen zoon maar zijn.’ Ik kijk het meisje onderzoekend aan en dan wordt mijn aandacht getrokken door een groepje tieners dat een krat bier bij zich heeft en hard begint te schreeuwen als er weer een puch naar boven komt. Ik leg een hand op de rug van het meisje en zeg met een laatste blik op de menigte dat ik het ook heel erg vind.