De ontheemde ziel
Toen die nacht besloot ik, misschien in een vlaag van geestelijke armoede, om een kroeg aan te doen. Want ja, als je dorst hebt, kun je beter drinken. Zoveel dorst had ik overigens niet. Het was iets anders. De gedachte aan haar borrelde op. Weer! En de herinnering aan haar én de beelden van haar feeërieke voorkomen gaan de laatste weken hand in hand met alcohol. Ik nam zetel op een kruk aan de eiken toog en bestelde bij de olijke barvrouw in laveloze toestand een whisky met veel ijs en weinig borrelpraat. Ze was niet gecharmeerd van mijn proleterig gedrag, doch kweet zich met tegenzin van haar taak. Nog voor het glas zijn bestemming had bereikt, verzonk ik hulpeloos in een dronkenmansslaap, in medias res, en het geluk beroerde me, want ik zag haar en zij lachte en wreef met haar fluweelzachte hand over mijn kruin en sussend zei ze dat ze nooit van mijn zijde zou wijken.
Ze drapeerde haar voluptueuze lichaam over dat van mij, kuste me op mijn rechterwang, streelde mijn gehavende rug en stelde mij met die allesoverheersende glimlach op haar prachtige gezicht gerust. ‘Het was slechts een droom, heb geen schrik. Vertel me, lieveling, wat heeft je zo angstig gemaakt?’ Amper van de paniek bekomen, ging ik rechtop in het bed zitten en bestudeerde de kamer. Ik zag haar kleren in de hoek liggen, haar beha, de donkere legging met een onalledaagse print en een boxer die ze boven de string prefereert. ‘Ik droomde dat jij mij verlaten had… Ik crepeerde van de pijn omdat het leven zonder jou bestond uit surrogaatvrouwen, die allen een ding gemeen hadden, namelijk dat ze minder zijn dan jij bent… Ik leefde in een wereld waarin ik niets meer kon, een clochard was, daar jij als enige als brandstof fungeert en niemand anders zoveel levensvreugde biedt aan een ontheemde ziel, aan mij, alleen jij kan dat… En gefolterd door je afwezigheid doolde ik bestemmingsloos rond. Ik leed.’
‘Kom, kom,’ zei Anne suikerzoet, en ze pakte een pincet, schakelde de lamp aan en trok enkele grijze haartjes uit mijn slecht gecultiveerde ringbaard, en ze fluisterde: ‘Natuurlijk heb ik jou niet verlaten, want ik ben hier, dicht bij jou, en altijd, altijd zal ik je bij je blijven, want wie kan zich ooit jou zonder mij voorstellen, of mij zonder jou…?’ Ik zoende haar in haar hals en vroeg of ik urenlang aan haar mocht ruiken en of ze alsjeblieft nooit van mening zou veranderen, ondanks mijn karakteriële strapatsen. Twee lichamen strengelden zich in elkaar, ik rook mijn Anne en vervloekte de boosaardige droom. Ik genoot van haar ademhaling die klonk als een prelude van het beste orkest ter wereld dat de beste symfonie ooit inzette en als een zomerse zeebries die verlichting bood aan de benauwde romanticus die zojuist god op zijn blote knieën om verlichting had gesmeekt. Ik genoot van mijn Anne en viel weer in slaap, onbezorgd dit keer, totdat ik wakker werd van iemand die mij vroeg: ‘En je denkt toch niet dat je thuis bent?’
Ik opende mijn ogen en ik wist niet wat ik gedroomd had, ik hoorde klanken uit speakers en ik zag een muziekcomputer, een barmeisje dat boos en pedagogisch wees op een glas whisky dat ik onaangeroerd had gelaten. ‘Waar is mijn Anne?’ vroeg ik in al mijn onnozelheid. Het wicht met het bedrijfsshirt wierp een vileine blik op mij, waarop ik besloot mijn glas te atten en direct een nieuwe te bestellen. En ik dacht aan het allermooiste en –liefste meisje van de hele wijde wereld, mijn Anne, en haar beminnelijke ochtendhumeuren, hoe ze de wereld genadeloos kan vervloeken, en tranen drongen zich op tegen de dijk van mijn oogleden, maar ik hield stand en wenkte de employé een nieuw glas te prepareren. Het was eeuwen geleden dat ik mij zo onbeschrijflijk moe had gevoeld, en ik sloot mijn ogen en hup, Morpheus trok mij weer naar zich toe, en ik zag haar prachtige, bruine ogen waarin ik spartelde doch niet verzoop. Ze sprak halfdronken tegen me en vroeg of ik gelukkig was, noemde me ‘baby’ en ze smeekte licht ijlend nooit bij haar te vertrekken. Dat beloofde ik.
We vielen dicht tegen elkaar in slaap, ze knorde zachtjes met haar hoofd op mijn borst en ik aaide haar met mijn rechterhand, zelfs in mijn onderbewustzijn, over haar prachtige blonde haren. Na een uur werden we wakker en we begonnen hevig te zoenen, want dat doen we altijd. Ik vroeg haar hoe het ging en zij meldde ‘goed’ en zij vroeg of alles in orde met mij was en ik loog dat ‘alles zijn gang gaat’. En ik bekeek haar, hoe ze vocht tegen de slaap en traditiegetrouw dat gevecht verloor. Ik bestudeerde haar mooie neus, die lieve oortjes en alles wat ze uitstraalde. Ik prees me gelukkig en gaf me over aan de vermoeidheid. ‘Maak je morgen weer ontbijt voor me?’ prevelde ze nog even voor het slapengaan. Ik kuste haar voorhoofd en beloofde het. Ze viel nu echt in slaap en ik ook, tot een stem riep: ‘We gaan sluiten.’ Er was geen muziek meer, alleen helse lichten en ontelbare vraagtekens. Ik verliet mijn kruk en waggelde naar huis. Maar de weg wist ik niet meer. Mijn Anne slaapt nu ook, dacht ik, maar ergens anders, zonder mij.
Toegift: