De sombere wereld

Het meisje was dronken en haar vriendin ook. Ze leunden tegen de muur van een portiekwoning. Het was druk in de binnenstad van Amsterdam, mensen verlieten hun werk en krioelden onrustig door de koude straten. Een enkeling nam de moeite om de vriendinnen met een zijdelingse blik te bestuderen, doch een meerderheid van de mensen was onverschillig voor het tafereel. Maar goed, dat was ook niet vreemd, in Amsterdam lopen wel meer gekken en markante figuren rond, niets nieuws aan de grijze horizon. Mocht ik geen provinciaaltje zijn, ik zou ook straal doorlopen, me haasten naar m’n kekke huis om aldaar de dingen te doen die mensen uit de grote stad doen. Maar ik ben geen jongen van de grote stad, ik ben een hufter uit het oosten die zich iedere dag weer blijft verwonderen over het grootste misbaksel van de evolutie. De mens.

‘Dames, ik heb zo’n donkerbruin vermoeden, vergeef het me als ik ernaast zit, dat jullie iets te diep in het glaasje hebben gekeken? Of hebben jullie – heel origineel – gras gerookt?’ Onder hun identieke mutsen, met de tekst Amsterdam er op, kon ik halfbakken hun gezicht bestuderen. Eén meisje was mollig, had blond haar, azuurblauwe ogen en bovendien gekleurd speeksel op haar kin. Het andere meisje was ook blond en viel extra op door haar volle lippen. In ieder geval was zij mooier dan haar vriendin. ‘Dat heb jij goed, jongen! Alles hebben we gedaan wat god verboden heeft!’ zei het mollige exemplaar. Altijd voel ik me weer prettig als ik gelijk heb én krijg. ‘En nu?’ vroeg ik er meteen achteraan. ‘Is er een plan, wat gaan jullie nu aanvangen…? Hebben jullie daar wel aan gedacht, denk het niet. Waar komen jullie vandaan?’ De meisjes krabbelden wat op, volgens mij telde het mooie mokkel lallend af en toen begonnen ze aan een yell of zo. Ik verstond alleen: ‘Woooooooow… Cuijck!’

‘Cuijck,’ overpeinsde ik, ‘daar wil een rechtschapen mens als ik nog niet eens dood worden gevonden. ‘Tabee, damesvolk. Maak wat van jullie levens.’ Ik liep over het Damrak en werd gefolterd door een ijskoude sneeuwbui. Jongens, het sneeuwde dat het een aard had. De honger van ettelijke Japanners naar duizenden fotokiekjes was desondanks niet te stillen. Vreemd volk, die Aziaten, dat deinst er niet voor terug om midden op de straat, tijdens helse neerslag, prompt stil te staan om een foto te schieten van een vrouw die bij de Teasers werkt. De boze blikken nemen ze op de koop toe. Ter hoogte van de Febo trof ik een neger, die peukjes zocht op de grond en allerlei oerkreten slaakte als hij weer iets had gevonden wat hem aansprak. ‘Homey, hoe zit dat nu? Wordt je zoektocht vereenvoudigd door het wit van de sneeuwvlokken of noopt de meteorologische situatie je tot enige vorm van licht graafwerk?’ vroeg ik hem. De donkere man met een okergroene capuchon over zijn hoofd blies wat, doch verzuimde om het een en ander voor mij te verhelderen.

En na een levensgevaarlijke zigzag over de verminkte straten van Amsterdam bereikte ik het overladen station van onze hoofdstad. Ik zag GVB-medewerkers vechten met drie kleine Marokkaantjes, die de oudere mannen bespuwden en uitmaakten voor rotte vis. Een bejaarde vrouw verkondigde het evangelie van god en moest plots haar toespraak onderbreken doordat een Slavische knaap de tas had ontvreemd van de boodschapper. Ik zag een fietser in het station tegen een meisje van achttien oprijden, om vervolgens los te barsten in een enorme scheldkanonnade. Op het juiste perron beland, zag ik een oude man die een nog oudere vrouw wegdrukte voor de deuren van de trein, opdat hij eerder dan haar de lege plek zou bemachtigen in de coupé, en waarbij zij bijna op het spoor viel. Ik zag een sombere wereld waarin ik glansrijk de hoofdrol vertolkte, doch hopeloos in de steek werd gelaten door alle figuranten die ook in dezelfde microkosmos acteerden. Ik vond een plek in de trein, staarde wat naar buiten en keek daarna goed rond.

Ik hunkerde naar Zwolle, en dat heb ik niet vaak gedaan in het afgelopen jaar. Ik verlangde naar een leven als kluizenaar, op veilige afstand van alles wat mens is, of met die pretenties door het leven gaat. Naast mij zat een bebrilde man, die met opperste concentratie een film of serie op zijn iPhone keek, net als minstens vijf andere mensen in dit gedeelte van de trein. We doen elkaar na, dacht ik. De sneeuw veranderde in regen. Buiten was het licht uitgedaan. In de verte lonkte de bevrijding, enkel vijftig minuten was ik verwijderd van dit blijde vooruitzicht. Na station Hilversum raakte de man die nog steeds naast me zat in paniek. ‘Mijnheer,’ vroeg hij, ‘weet u waar deze trein naartoe gaat?’ Ik bestudeerde de wallen onder zijn ogen, rook de honger uit zijn mond en zag het litteken van de routine overal. ‘De trein heeft meerdere bestemmingen, in ieder geval keert hij de hysterie en massaverval een rug toe. U zit altijd goed in deze trein.’ Hij keek mij aan alsof ik gek was en surfte toen naar de website van de NS.