Eerder, nog niet zo lang geleden, voelde ik altijd een drang, dikwijls gedreven door overmatig drankgebruik, om tijdens het uitgaan ruzie te maken met iedere klootzak die me niet aanstond. Laten we elkaar geen mietje noemen: ik was een gepatenteerde hufter. Een ruziemaker! Een onverbeterlijke patjepeeër! Tegenwoordig ben ik niet meer zo. Ik ben door de jaren heen verstandig geworden, denk ik. Als een Antiliaan nu met een schaapachtige blik en heupwiegend tegen me aan komt schuren, stoot ik niet de gouden tanden uit zijn bek, doch kies ik er simpelweg voor om elders in het café post te vatten. Ook wanneer ik aan de bar een doodeenvoudige jongen de hele nacht steevast spa rood zie consumeren, zoek ik niet langer de discussie met hem op. Ik trek zijn mannelijkheid niet in twijfel. Ik negeer die flikker gewoon. Hij doet maar, die halfzachte klootzak. Nu is alles anders, ja! Sterker nog, ik wil me tegenwoordig nog wel eens opwerpen als vredestichter tijdens vechtpartijen. Ik ben een goed mens.
Vorige week nog! Man, wat was ik goed bezig. Ik liep laveloos over het grote plein van Deventer, toen ik ineens twee meisjes trof die elkaar voor hoer uitscholden. Dat leek me een interessante conversatie. Die twee blonde grieten verweten elkaar van alles. ‘Maar wat zijn jullie tarieven dan?’ mengde ik me in het gesprek. Ze zwegen. Bijgevolg kreeg ik geen antwoord. ‘Nou, ik ving net op dat jullie beiden van de prostitutie zijn, dus ik vroeg me af wat het moet kosten.’ De meisjes keken me verbaasd aan met een zijdelingse blik. ‘We zijn geen echte hoeren, hoor,’ zei het blonde exemplaar. Ik begon me ostentatief op m’n achterhoofd te krabben. Vervolgens vroeg ik aan de mulattin: ‘Waarom noemen jullie elkaar hoer dan? Dat is toch niet leuk. Bovendien is het verwarrend voor mij. Ik was in gedachten reeds bezig met de formatie van een triootje.’ De meisjes moesten synchroon erg hard lachen. Ze vielen elkaar in de armen. Eentje riep ‘kutwijf’ en het andere mokkel jengelde dat ze maar beter nooit meer ruzie met elkaar moesten maken. Ze liepen hand in hand richting een café. Een ‘dank je wel’ kon er kennelijk niet van af. Wat een onmetelijke hoeren, zeg!
Ik slenterde nog steeds over het plein in Deventer, wars van de wereld en alle mensen die haar bewonen. Ik drukte op een aantal knopjes van mijn mobieltje en Frank Boeijen zong zijn mooiste liederen uit mijn telefoonspeakers, teksten gelardeerd met melancholie en romantiek. Kort daarna werd ik aangesproken door een neger. ‘Wat luister jij dan voor poepmuziek?’ vroeg hij mij. Ik zou me beheersen. Normaal had hij nu al de ene klap na de andere moeten incasseren en een poos later in het ziekenhuis mogen bidden voor een donor met groen bloed, doch dat was vroeger. Ik vertelde hem beheerst over Frank Boeijen, de prachtige melodieën en de poëtische woorden. Hij liet mij op zijn beurt een nieuwe tune horen van Ne-Yo, een hippe neger. Wij hadden respect voor elkaars muziek. Toen passeerde een boer op een fiets. ‘Stomme negers!’ schreeuwde hij onze richting op. Ik trok een sprint en schopte hem met behulp van een flying kick van zijn stalen ros. Hij lag kermend van de pijn op de grond. Ik boog me over zijn lichaam heen en keek hem aan. ‘Wil je dat niet meer doen? Het is nergens voor nodig!’
‘Sorry, sorry,’ sliste hij angstig. Maar ik was nog niet klaar. ‘Zie ik er uit als een neger?’ Hij bestudeerde mijn gezicht. ‘Nee, niet echt,’ concludeerde hij, ‘die maten van je wel.’ Ik draaide me om en keek naar de donkere jongens, die zich verkneukelden om de boer die op de grond lag. ‘Je hebt gelijk. Die zijn inderdaad best zwart.’ Ik hielp die lul overeind, klopte zijn bevuilde jas af en wenste hem een goede reis naar het gehucht waar hij vandaan kwam. Op de kerkklok viel te lezen dat het bijna 04.00 uur was. De tijd vliegt als je dronken bent. Mijn nieuwe vrienden kregen allemaal een boks van mij. Net toen ik de weg naar huis had ingezet, hoorde ik achter mij jongens en meisjes veel misbaar maken. Er was een gevecht aan de gang voor het studentencafé. Politiewagens waren in geen velden of wegen te bekennen. Veel mensen moeiden zich in de titanenstrijd. Wat te doen? Nog liever had ik thuis in mijn bed gelegen, maar ik was me terdege bewust van mijn nieuwe rol als vredestichter. Dus ik holde richting de massa, ging midden in de groep staan en sommeerde beide partijen afstand van elkaar te bewaren.
Die zakkenwassers luisterden ook nog naar mij. Ik moest door. ‘Wat is nu precies het probleem?’ De langste van de twee jongens deed een boekje open over zijn ontevredenheid: ‘Hij heeft mijn vriendin in haar billen geknepen!’ Ik moest hier over nadenken. ‘In allebei haar billen?’ vroeg ik hem. ‘Dat weet ik niet.’ Ik wendde me nu tot de vermeende dader. Ik zei niets. Keek hem alleen aan. ‘Nee,’ biechtte hij op, ‘alleen in haar linkerbil.’ Opeens klonk een meisjesstem uit de groep omstanders. ‘Het was mijn rechterbil, leugenaar!’ Dit was een moeilijke kwestie. ‘Waarom heb je dat meisje in haar bil geknepen?’ Hij dacht niet lang na. ‘Ze heeft gewoon een mooie bil, man.’ Een goed argument, leek me. Ik overpeinsde de situatie, moest even gapen en dacht toen aan de brits in een politiecel. ‘Mensen,’ proclameerde ik op luide toon, ‘ik heb slecht nieuws. Ik ga naar huis.’ En ik verwijderde me van het tafereel. De groep dook weer ineen en er werden ongetwijfeld klappen uitgedeeld. Thuis kroop ik direct in bed. Ik was zo blij dat ik niet in een cel hoefde te slapen. Ik was de vredestichter.
