Deventer is heilige grond

Een krap jaar geleden schreef ik voor dit prachtige blad een column waarin ik mijn ongenoegen over Amsterdam liet blijken. Het stukje leverde mij veel bijval op, vooral uit de provincie, maar zorgde ook voor een orkaan aan dreigementen, uiteindelijk met politiebewaking tot gevolg. Ik liet het lijdzaam over me heen komen en gaf de stad nog een kans, misschien had ik het allemaal verkeerd gezien.

Ik woon nu dertien maanden in de hoofdstad, heb alle evenementen en bijzondere plekken verkend, evenals de cafés met leuke mensen, volgens kenners, maar kom tot de conclusie dat ik niet voor Amsterdam ben gemaakt. Daarom ga ik terug naar Deventer, tot grote opluchting van alle burgers van Mokum die een hartgrondige hekel aan me hebben en dat ook regelmatig op straat of op internet lieten blijken.

Nu zou ik hier weer een heel relaas kunnen beginnen over waarom Amsterdam niet deugt, een dankbare taak waarmee je een boek kan vullen, maar het is beter om uit te leggen waarom Deventer, de provincie, voor mij het heilige land is.

Het gebeurt nog te vaak dat mensen uit de Randstad geen flauw benul hebben van waar Deventer ligt, laat staan dat ze enig besef van wat er te beleven valt.

Want los van Go Ahead Eagles, de lokale voetbalclub die landelijk wordt geroemd vanwege het nostalgische stadion en de fanatieke sfeer, valt er veel meer in de mooie Hanzestad te doen. Neem bijvoorbeeld onze jaarlijkse boekenmarkt, de grootste van heel Europa. Ieder jaar komen hordes antiquariaten naar Deventer en bedienen zij een publiek van meer dan honderdduizend mensen. Datzelfde aantal komt ook op andere evenementen af, denk daarbij aan het Dickens Festijn en Deventer op Stelten. In de historische binnenstad, op het grote plein, is er elk weekend wel iets te doen. En eigenlijk heeft iedere provinciestad wel zijn eigen feesten en partijen die door duizenden burgers worden bezocht.

Nu komt bovenstaande wellicht wat kneuterig over, maar dat is juist een groot voordeel van de provinciestad, zeker als je de vergelijking met Amsterdam maakt.

In de meeste provinciesteden hebben de bewoners tenminste nog een beetje rust in de omgeving, terwijl de hoofdstad ondertussen te druk is. Er zijn té veel mensen en het is er gewoon vies. Letterlijk.

Op een of andere manier zijn mensen daar bereid om een vermogen te betalen voor een woning van amper tachtig vierkante meter. Als zij de maandelijkse huur die ze nu op de rekening van puissant rijke vastgoedmensen storten naar een andere stad zouden brengen, krijgen ze een huis dat veel groter is. Ik heb straks twee keer zoveel ruimte in Deventer, en betaal per maand honderdvijftig euro minder.

Goed, de meeste dingen gebeuren inderdaad in het westen, zeker op het gebied van mijn werk, dus ik zal veel moeten reizen, maar dat is vooral op papier een bezwaar, want anders dan de massa denkt, bestaan er in Nederland geen grote afstanden.

Buiten de spits kan je in een uur van Deventer naar Amsterdam rijden, één rechte streep over de A1. En dan is er ook nog de rechtstreekse trein. Wie in Amsterdam van Slotervaart naar Noord wil reizen, is veel langer onderweg.

Ik heb natuurlijk allerlei particuliere voorkeuren in Deventer – mijn sociale omgeving en het leeftempo dat veel lager ligt – maar los daarvan is het ook zo dat een provinciestad een veel sterkere eigen identiteit heeft, terwijl de mensen in de grote steden steeds meer van elkaar vervreemden omdat ze overal vandaan komen.

Een decentralisatie van alle belangrijke organisaties, evenementen en ondernemingen is natuurlijk moeilijk te verwezenlijken, iedereen trekt automatisch naar het westen, maar als er nou eens meer mensen beslissingen namen die in het kader van hun persoonlijke geluk staan, in plaats van zicht te laden leiden door de angst om iets te missen, wordt de moderne urbanisatie wellicht een halt toegeroepen.

Ik zeg Amsterdam na ruim een jaar vaarwel. De stad is interessant om te bezoeken, voor een afspraak of feest, maar niet om er te wonen. Doe mij maar de provincie.

(Deze column verscheen eerder in Nieuwe Revu)