Donker

Uit de mouwen van zijn overhemd staken twee harige armen, aan zijn kraag hing een donkere zonnebril en zijn spijkerbroek zat te strak om zijn middel. De uitbater van het café leunde nonchalant tegen de tap en rookte een sigaret, een handeling die verried dat hij weinig sympathie had voor het rookverbod. In Deventer is hij misschien het stomste stuk vreten dat op twee benen rondloopt, maar zolang hij ons schenkt laten we hem ongemoeid. ‘Wat drink je?’ vroeg ik haar, nadat ik lange tijd op die vraag had gewacht, in de hoop dat zij hem zou stellen. ‘Wijn’, prevelde ze. Ik keek haar hatelijk aan, wuifde de hufter achter de bar onze glazen opnieuw te vullen en hoopte dat ik snel de kunst van het ademen zou verleren.

Het meisje had ik leren kennen in de supermarkt. Na een zakelijke transactie – ik rekende twee flessen cola bij haar af – besloot ik haar privénummer te vragen, opdat ik me in de nabije toekomst nog meer zou kunnen verdiepen in wat haar zoal bezighoudt, naast het scannen van boodschappen.

Ze werkte direct mee, schreef de cijfers van haar mobiele nummer op mijn bonnetje en verzekerde me met een guitige blik dat ze heel erg uitkeek naar de rendez-vous. Toen ik ‘Omnia vincit amor, nos et cedamus amori’ tegen haar zei, keek het kassameisje me aan alsof ik Latijn tegen haar sprak, wat feitelijk natuurlijk correct was, want ik was in zo’n bui dat ik maar al te graag koketteer met mijn kennis van vreemde talen.

Nu zat zij dus hier, naast mij, het meisje van de Dirk van den Broek; een bevallig diertje met lichtbruine haren; ferme borsten van bovengemiddelde omvang; slanke en lange benen, en dan had ze nog die volle lippen die je meteen wilde zoenen, of nog liever: heel graag een intiem deel van je lichaam zou willen zien omzomen.

Verder zaten in dat café anderhalve man en een paardenkop. De anderhalve man zat aan een tafeltje verderop, het was een Siamese tweeling, en de paardenkop hing aan de muur. Ik vroeg me af of het een opgezet beest was, of louter een replica gemaakt uit stoffen en kraaltjes. Hoe dan ook, de alledaagse sleur van het leven voelde weer aan als ondraaglijke ballast, en ik sleepte mezelf maar voort, nu weer met zo’n derderangs mokkel in een zesderangs café.

‘Wat wil jij later worden, als je groot bent?’ vroeg ik haar. Ze moet een jaartje of twintig zijn geweest, op haar gelaat zag ik weinig littekens uit een verleden, zowel figuurlijk als letterlijk was haar gezicht ongehavend. ‘Ik ga advocaat worden,’ riep ze zelfverzekerd. Van verbazing verslikte ik me zowat in mijn whisky. ‘Wat doe je nu dan?’ vroeg ik ter verduidelijking.

Het zelfvertrouwen ebde een beetje weg, nadat ze die vraag had gehoord. Ze kroop wat ineen. ‘Ik ben net gestopt met mijn mbo-opleiding Juridische Dienstverlening. Dat was toch niets voor mij. ‘Ah,’ zei ik ter inleiding van mijn resumptie, ‘maar je gaat dus nog wel minimaal tien jaar studeren?’ Ze keek heel trots. ‘Ja, dat is het plan.’

Ik dronk mijn glas in één teug leeg en vroeg de fieltige barman of hij niet een scheutje cyaankali kon vermengen met het volgende drankje. Maar die klootzak kende mij én mijn standaardgrapjes. Hij had niet eens het fatsoen een glimlach te veinzen.

‘Wat wil jij later worden?’ vroeg ze thans aan mij. ‘Ik ben al wat ik wilde worden.’ Ze keek geïnteresseerd. ‘Wat ben je dan?’ Ik slaakte een zucht, moe van mezelf en bovenal van haar. ‘Ik ben leuk.’ Het kassameisje moest heel erg lachen, ik hoopte dat ze zou verdrinken in haar wijn, maar dat was een ijdele gedachte, bovendien praktisch bijna onmogelijk. ‘En waar wil je dan geld mee verdienen?’ Ik staarde diep in haar ogen en zei: ‘Ik ga drugs verkopen en jonge naïeve meisjes achter het raam zetten, dat moet een lucratieve business zijn.’

‘Hebben mensen weleens tegen jou gezegd dat er geen hoogte van je te krijgen is? Ik bedoel, ik weet helemaal niet wanneer je serieus bent, en wanneer niet.’ Ik liet haar woorden op me inwerken. ‘Ja, goed punt,’ antwoordde ik vervolgens.

‘Mijn ex klaagde daar ook altijd over. Eén keer liepen we samen de abortuskliniek uit. Toen zei ik: “Het was maar een grapje, hoor. Je hebt dat mormel toch niet echt vermoord?” Nou, ze was ontroostbaar, wilde niets meer met me te maken hebben en de relatie liep algauw op de klippen. Dus je waarneming is, getuige deze anekdote, helemaal correct.’

Ze nam snel achter elkaar stevige slokken van haar wijn en kwam van haar kruk. ‘Ik vind je eigenlijk helemaal niet aardig!’ schreeuwde ze. ‘En ik vind jou niet alleen oliedom, maar je bent ook nog strontlelijk, achterlijk zwijn. Als ik jouw kop had, vrat ik uit een emmer,’ zei ik op mijn beurt.

Nu moest de uitbater van het café wel lachen. Hij schonk me een drankje van het huis, keek me aan en zei: ‘Vrouwen, je kunt beter kippen houden.’ Hij had kennelijk een eigengereide visie op de wereld, heel origineel ook. Ik vroeg waarom hij een zonnebril bij zich had, vooral omdat het al drie dagen achter elkaar onafgebroken regende.

‘Die zet ik op als het wat drukker is in de kroeg. Dan hoef ik alle lelijkheid niet te zien.’ Hij trok een ernstig gezicht bij die woorden, waardoor ik hem wel moest geloven. ‘Mag ik hem even van je lenen?’ vroeg ik. Hij overhandigde mij zijn bril en ik zette hem op. In het donkere café zag je inderdaad niets met een zonnebril op je kop. Ik hoopte dat ik de bril mocht houden, ik zou hem nooit meer afzetten.