Dushi

… was er een grote brand in het centrum van Deventer, niet zo heel ver van mijn studiootje. Boven een shoarmazaak braken de vlammen uit, ook een paar huizen sneuvelden. Ongeveer dertig mensen hebben nu geen woning meer. Dat is niet leuk voor hen.

Zondagnacht liep ik dronken over de Brink, het grote plein in Deventer. Eerder op de dag bezocht ik een wedstrijd van Kowet in de Adelaarshorst. We wonnen met 2-1 van FC Utrecht.

Op de Brink was er meer activiteit dan normaal op een zondag rond dit tijdstip, dat kwam door de kerstvakantie. Ik wandelde met een vriend van kroeg naar kroeg, op zoek naar de leukste mensen en de gulste gokkasten. Overal kwamen we bekenden tegen. Handjes schudden, vragen hoe het gaat, iets aardigs zeggen over elkaars kleding of haar – dat idee.

Ik zat aan een lange bar. Mijn vriend was aan het gokken, misschien al een kwartier, of iets langer, toen het apparaat ineens tientallen muntjes uitspuugde. We hadden prijs. We kregen van het barmeisje briefpapier in ruil voor onze buit en zochten een ander café op.

Onderweg viel een dranghek op. Het stopteken reflecteerde in het licht van een lantaarnpaal. Het was de straat waar de brand had plaatsgevonden. Achter het hek stonden twee mannen. Beiden droegen een blauw vest met daarop een V. De beveiliging.

‘Wat doen jullie hier?’ vroeg ik.

‘We bewaken de boel,’ zei een jongen met ingevallen wangen.

‘Tegen wie?’

‘Plunderaars,’ antwoordde zijn dikke collega.

‘Dus er bestaan mensen die tussen de puinhoop van die afgefikte huizen op zoek gaan naar spullen die ze kunnen jatten?’

‘Het is een vreselijke wereld,’ zei de stevige jongen. Hij had gelijk. Zijn collega deed een paar passen naar achteren en onttrok zich van het gesprek. Misschien dat hij dacht dat ík zo’n plunderaar was.

‘Maar die bewoners kunnen hun waardevolle spullen toch wel ophalen?’

‘Nee, er moet eerst politieonderzoek worden gedaan, tot die tijd is het voor iedereen verboden gebied, zelfs huisdieren mogen niet van het terrein.’ Hij wees naar een verschrompeld papiertje op het dranghek. Het was me eerder niet opgevallen. Een afbeelding van een poes. Het dier was zoek. Of mensen zich wilden melden als ze Dushi vonden.

‘Is er ook een vindersloon?’ vroeg mijn vriend.

‘Nee, dat niet.’

‘Jammer, anders was ik dat beest nu gaan zoeken.’

De bewaker maakte een bolletje van zijn handen en blies erin. Ik vond het niet koud, maar ik was dan ook straalbezopen. Mijn vriend en ik liepen naar het volgende café. Onderweg moest hij hoesten. Een passerende jongen imiteerde zijn hoest. Hij was uit op narigheid. Ik schold hem uit voor hoerenzoon en zei dat hij moest blijven staan. Dat deed hij niet. Hij rende snel weg.

Held in de nacht.

In de nieuwe kroeg kocht ik een Bacardi-cola voor mezelf en een jenever voor mijn vriend. Hij ging weer achter de kast zitten. Als je in de winning mood bent, blijf je geld in zo’n machine gooien, niet per sé een slim idee.

Ik zat aan de bar en hoorde de barkeeper met Duits accent allerlei verhalen ophangen aan twee hippe studenten. Het ging over inspiratie en de kwaliteit van zijn werk. Misschien vond hij glazen vullen een ambacht. Dat zou raar zijn.

Ik staarde uit het raam en hoewel ik dus een stuk in mijn kraag had, zag ik een poes over het plein trippelen, eentje die precies op Dushi leek. Verdomd als zij het niet was. Ik wees mijn vriend op het diertje buiten, hij wees mij op de score op de gokkast.’

‘Daar geen vindersloon,’ zei hij. ‘Hier een mooie winst.’

Daar had hij gelijk in.

Dushi stond er alleen voor.