Een ethisch probleem
Vorige week ging een langgekoesterde droom in vervulling. Ik heb er vijfentwintig jaar op moeten wachten. Nee, dat klopt niet. Dat is wel erg lang. Eigenlijk heb ik er maar tien jaar op gewacht. Het zit zo. Als mensen mij nu vragen hoe oud ik ben mag ik eindelijk zeggen: een kwart eeuw. Ja, ik ben een kwart eeuw. En als je die woorden uitspreekt in een gezelschap dan ben je hip. En dat poog ik altijd te zijn. Hip. Nu is oud worden niet een kwestie waar ik me in deze fase van mijn leven druk over zou moeten maken. Maar ik doe het wel.
Zo zat ik dinsdag na een lange dag luisteren en denken in de trein van Amsterdam naar Zwolle. Mensen overschatten het fenomeen denken nog weleens. Hoe slopend denken kan zijn, hoef je niet uit te leggen aan leden van een roei- of hockeyvereniging. Die doen daar niet aan. Soms droom ik dat ik een blonde Nederlander ben die in Blaricum hockeyt. Dan ben ik de spits van Heren 1 en word ik begeerd door alle meisjes van het hoogste jeugdelftal. Ik droom dan van soa’s die ik bij bosjes verspreid en meisjes die ik met de achterzijde van een hockeystick stiekem in een ongebruikte ruimte van de kantine pook.
Maar goed,
Ik zat dus in de trein.
Toen de trein het station van Amersfoort had bereikt, hij bijna weer zou wegrijden en ik al klaar zat met een boek in mijn handen, dook er opeens, alsof ze uit de hemel kwam vallen, een meisje op de bank naast mij. Het was druk. Dus ze had zo haar redenen om te duiken. Zij was een mooi meisje, van wie ik in eerste instantie dacht dat ze Turks was en een jaartje of twee- of drieëntwintig. Ze vroeg mij zwaar ademend of de trein ook in Zwolle zou stoppen. Ik gaf haar schichtig antwoord en probeerde mij te concentreren op mijn boek. Dat zou die dag nooit meer lukken.
Zij knoopte vijf minuten nadat de trein was begonnen met rijden een gesprek aan middels een drogreden. Ze vroeg of ik familie was van Çayan. ‘Nee,’ zei ik, ‘ik ben geen familie van hem.’ Het gesprek stokte even. ‘Woon je wel in Zwolle?’ vroeg ze toen. Ik keek op uit mijn boek en zag toen pas dat ze écht aantrekkelijk was. Het boek verdween snel in mijn tas. ‘Ja, ik woon in Zwolle. Wil je straks mijn huis zien om er zeker van te zijn dat ik niet lieg?’ Ze moest lachen. ‘Nee, dat hoeft niet. Ik geloof je wel. Maar ik wil wel met jou een Sunday ijsje eten in de Mac.’
Een uur later
zaten wij in de McDonald’s.
‘Hoe oud ben jij eigenlijk?’ vroeg ze me toen we zaten te knabbelen aan onze ijsjes. Ik dacht aan mijn verjaardag van vorige week en de woorden die ik nu mocht uitspreken. ‘Ik ben vierentwintig, had je dat gedacht?’ Ze fronste haar wenkbrauwen. ‘Ik dacht dat je iets jonger zou zijn, maar dat maakt niet uit.’ En ik voelde de bui al hangen. ‘Hoe oud ben jij dan?’ Ze streek een aantal plooien in haar rok recht en maakte een gebaar dat vertelde dat ik mocht gokken naar haar leeftijd. ‘Drieëntwintig,’ de wens was dan ook wel de vader van de gedachte.
Ze genoot van mijn antwoord. Voor haar was het een compliment. ‘Ik ben achttien, gekkie! Maar ik hoor wel vaker dat ik er ouder uitzie hoor.’ Voor het eerst in mijn leven had ik contact gelegd met een meisje van wie ik niet wist of intimiteit met haar tegen alle wetten van de ethiek druiste. Zij zat er maar. Met haar achttien jaartjes. Gefabriceerd in 1991. Jong en naïef. We stapten op haar fiets en reden naar een rustig steegje. Nog even praten voor het afscheid, zoals dat hoort. Ze moest om 22.30 thuis zijn. We wisselden nummers en mailadressen uit. En de intieme kus ter afscheid volgde ook nog.
Die nacht lag ik in bed en ik begon weer te denken. Het waren teisterende gedachtes. Een meisje dat zeven jaar jonger is dan jij. Kan dat eigenlijk wel? Ik dacht aan de kwart eeuw. Ik dacht aan ouderdom. Ik dacht aan jaren die voorbijschieten zonder genade. Ik doofde het licht van de kamer en kroop onder de dekens. In mijn telefoon zocht ik haar nummer op, tikte een sms’je, doch stuurde dat niet door aan haar. Dommelend zag ik haar gezicht weer voor me. En ik vroeg me af of ik moeite met haar leeftijd zou hebben als andere mensen dat niet hadden. Toen pas sliep ik in.