Een hopeloos geval
Aanvankelijk hadden we het plan opgevat om een rustige avond in de binnenstad van Deventer te beleven. De terrassen raakten vol, de vrouwen waren schaars gekleed en de stemming zat er goed in. Na het tiende drankje was iedereen minder kritisch. We besloten toch om flink door te halen. In mijn zuivere poging om me nog diezelfde nacht dood te drinken, schakelde ik rond middernacht over van apfelkorn op whisky. We liepen met zijn achten naar een kekke tent in het centrum, vatten post op het terras en verziekten de goede sfeer. De uitsmijter zag het onheil naderen, doch bleef vriendelijk en dirigeerde een barmedewerker ons te komen helpen. Intussen was N. in gesprek geraakt met twee foeilelijke wijven. Toen zij naar binnen liepen om een plasje te plegen, vroeg hij of ik er wat voor voelde om een van de dames op zijn bank vol te blaffen. ‘Ik laat me nog liever doodknuppelen door Japanse zeehondenliefhebbers,’ luidde mijn antwoord.
De toon was gezet. Het beloofde een wilde avond te worden, met veel drank en drugs, weinig besef van goede ethiek en een passend slot in de club. Toen de meisjes terugkeerden, zag ik de wanhoop op het gezicht van mijn kompaan. Hij fluisterde in de vreselijke flaporen van een van die mokkels dat ik voor de eer had gepast. De uitdrukking op haar gezicht verried dat zij zich beledigd voelde. Ze stapte mijn richting op, legde haar hoofd in haar nek en bestudeerde me letterlijk van top tot teen. ‘Wie denk je wel niet dat je bent?’ Op mijn beurt liet ik het niet na om ook haar opzichtig van onder tot boven te analyseren, onderwijl gebaren makend, alsof ik moest kokhalzen. ‘Ik ben iemand met goede smaak. Jij?’ Het meisje trok haar vriendin, dat andere mormel, aan haar arm en ze verlieten onze twee tafels. N. baalde als een stekker. ‘Weet je hoe lang ik al niet geneukt heb?’ kermde hij. Los van het feit dat we hem een ongelooflijk hoerenkind vinden, hadden we toch ook iets van sympathie voor zijn flamoeszucht. Daarom werd het onze nachttaak om hem aan een vrouw te helpen.
We verlieten de kekke tent, zagen de uitsmijter een zucht van verlichting slaken en haastten ons naar het plaatselijke studentencafé. Om niet als groep geweigerd te worden, liepen we in plukjes naar binnen. Na een half uur stonden we allemaal aan de bar op de bovenverdieping. Het was warm, daar. Veel meisjes hadden rode wangen. Dat zegt genoeg, dunkt me. ‘Nou,’ vroeg ik aan N., ‘zie je wat lekkers?’ De andere jongens keken hem ongeduldig aan. Hij wees op een iel meisje, met donker haar en groene ogen. Haar groene top maakte er geen geheim van dat ze ingegroeide borsten had. Ik keek naar haar en ik keek naar hem. ‘Weet je het zeker, makker? Dat wijf heeft borsten die naar binnen groeien.’ Hij talmde even, doch liet zich niet van de wijs brengen. Dat moest haar zijn. Ik zag dat ze witte wijn dronk en bestelde direct een glas bij de barman. ‘Hier,’ zei ik tegen N. en ik drukte het wijnglas in zijn hand. ‘Trakteer haar op dit.’ Hij liep aarzelend haar richting op, maar keerde halverwege terug. De groep begon te loeien. ‘Wat doe je, man?’ vroeg een andere vriend.
‘Ze is best wel mooi,’ prevelde hij, ‘is zij niet out of my league?’ Hoofdschuddend keken we hem aan. Een drietal had genoeg van die onzekere hufter en besloot op de begane grond, daar waar het drukker was, te hengelen naar wijven die mogelijkerwijs interesse hadden om een orale dienst te leveren in een steeg nabij de gotische Bergkerk – deze dames vormen een gilde, hoor. ‘Luister,’ zei ik tegen N., ‘dat meisje smeekt gewoon om mannelijke aandacht. Ga erheen, praat over alledaagse dingen en vraag haar nummer.’ Hij bestelde drie pure whisky’s bij de barman en sloeg er een direct achterover. Ik pakte een ander glas, nipte er van en duwde hem in de richting van zijn prooi. Weer keerde hij halverwege terug. ‘Ik kan het niet, man!’ baalde hij. Mijn geduld raakte op. Ik liep naar het meisje toe en begon met haar te praten. Ze vertelde dat ze aan het Saxion studeerde, iets met economie of zo. Niet dat het mij ene reet kon schelen. Zij woonde pas op kamers in Deventer, doch kende er niemand. ‘Wat leuk dat je me zo spontaan aanspreekt,’ voegde ze er nog aan toe.
Toen puntje bij paaltje kwam, zij het glas dat ik voor haar had meegenomen had geledigd, liep ik met haar naar de bar. Daar stond N. nog steeds. ‘Dit is mijn vriend N.,’ zei ik tegen haar. Ik stelde ze aan elkaar voor en liep weg, om die nacht niet meer mijn gezicht te laten zien. Twee uur daarna ontstond er kennelijk tumult op de bovenverdieping. Het borstenloze wijf liep stampvoetend het café uit, gevolgd door barmedewerkers en twee portiers. Twee andere uitsmijters hadden N. stevig vast en gooiden hem naar buiten. De groep was voor het eerst sinds binnenkomst weer compleet. ‘Wat heb je gedaan, man?’ vroeg ik aan onze onfortuinlijke vriend. Hij stamelde wat onduidelijke woorden. We bestelden twee taxi’s en lieten ons afzetten bij de club. Daar knapte hij op. Hij begon weer helder te spreken, maar wat hij gedaan had, werd ons niet duidelijk. Het was treurig. We bedachten een filantropische inzamelingsactie voor hem en schonken hem honderd euro om een hoer naar keuze te neuken. Nu was hij minder timide. Hij ging om 04.30 uur met de temeier naar boven. Om 08.00 uur was hij nog niet beneden. Ik vroeg aan de bordeelhouder waar onze vriend was. ‘Die gek?’ schreeuwde hij. ‘Die is meteen uit het raam geklommen, die durfde niet.’ En ik dacht alleen maar aan ons geld.
Volg me ook op Twitter!