Een nacht in Zwolle

Voor mijn gevoel was ik reeds enige tijd niet meer laveloos geweest, zo dronken dat je bijna niet meer kan praten, het beeldscherm van de computer ogenschijnlijk gaat bewegen en een drang bekruipt om allerlei meisjes telefonisch te schofferen. Daarom besloot ik een vrind op te zoeken, hier in Zwolle. Met hem zou ik televisie kijken, wat gamen en natuurlijk drinken. Veel drinken. Een lege maag in combinatie met een aantal glazen bier en een halve fles whisky bracht me algauw in de geestesgesteldheid waarnaar ik hunkerde. De wereld liet me voor even onverschillig. Ik was ontremd, alle zorgenkindjes waren met een spuit verdoofd, het universum draaide om mij, alleen om mij. Er was geen domheid meer. Iedereen was leuk en mooi.

Na ampel beraad kwamen we tot de conclusie, die vriend en ik, dat we weinig goesting hadden om het Zwolse nachtleven op te zoeken. Ik zweer het je, zoveel mis je niet als je een avond thuisblijft in Zwolle. Er valt namelijk geen reet te beleven in het centrum van dit gristendorp. Helemaal niets! Mijn vriend en ik namen afscheid en beloofden elkaar deze week een keer te bellen. Ik liep naar buiten en trof wit land aan, een huzarenstukje van moedertje natuur, die snol. Een oprukkende sneeuwbui had voor het deprimerende tafereel gezorgd. Man, wat haat ik de winter, evenzeer heb ik een hekel aan de herfst, lente en zomer. Eigenlijk haat ik ieder seizoen. Nadat ik de eerste stappen op de Willemskade had gezet, zag ik een aantal louche Chinezen dat iets uit een bus laadde, dozen die vervolgens te voet naar een obscuur pand werden geloodst. ‘Ni hao,’ riep ik tegen één van de Chinezen toen ik dichter bij de bestelbus stond. Hij negeerde me. ‘Fawaka, jongen? Wat spoken jullie uit, dekselse modelallochtonen?’ De Chinees bleef ostentatief zwijgen.

‘Goed,’ zei ik berustend, ‘ik wil niet in mootjes terechtkomen in een ijsvak, om vervolgens opgediend te worden als babi pangang in één van jullie restaurants. Ik licht mijn hielen wel. Even goede vrienden. Maar bedenk wel, ik heb jullie in de smiezen!’ Ze deden alsof ik niet bestond. Op de Westerlaan merkte ik dat het bijzonder glad was geworden. Twee meisjes met capuchons op passeerden mij op de fiets en één van die dellen schreeuwde: ‘Yo!’ Ik bestudeerde haar lichaam omdat ik door het deksel op haar hoofd niets van haar gezicht zag. Ze was mollig en slecht gekleed. ‘Hou je muil, vies vuil hoertje!’ schreeuwde ik. ‘Er is geen reden om jou te groeten, want jij bent zo lelijk als deze nacht. Donderstraal! Slampamper. Griepkind!’ Het was even stil. De meisjes draaiden hun hoofdjes synchroon om. ‘Wejow,’ riep één van hen, ‘die kill is para.’ Daarop versnelden ze het fietsen. ‘En praat gewoon Nederlands, stomme mensen!’ beet ik hen nog toe. ‘Roomblanke kinderen die urban gaan praten, ik word er niet goed van. Mocht ik jullie ooit weer tegenkomen, ik zal jullie Willem Elsschot laten lezen. NSB’ers!’

Op de rotonde bij Hotel Wientjes, nabij het station, trof ik een stelletje dat kennelijk in de loop van de avond onverhoopt gebrouilleerd was geraakt met elkaar. Het is wat, zo in de nacht van zaterdag op zondag in de binnenstad van Zwolle. Hun fietsen lagen matig geparkeerd op de grond. Het meisje schold haar vriend uit, schreide verlegen en had bovendien te kampen met een weerbarstig straaltje bloed dat uit haar neus liep. ‘Mensen, geen paniek,’ sprak ik het duo toe, ‘ik kom al jullie problemen een halt toeroepen.’ De – ik gok – Molukse jongen keek mij hatelijk aan. Daar was ik niet van gediend. ‘Heb jij dit meisje zojuist een klap verkocht?’ Hij talmde even, maar gaf toen stoer toe. ‘Meisje, vind jij dat deze jongen straf verdient omwille van de laffe tik die hij eerder, in mijn afwezigheid, uit heeft gedeeld aan jou en met welke hij je neus heeft bezeerd?’ Zij was niet echt een mooi meisje. Ik ga niet tikken dat ze desondanks best een keer aan mijn pik mag zuigen, want dat heb ik in drie recente blogs ook gedaan over ettelijke dames en ik weet dat u kritisch bent en bovendien wars van herhalingen.

Zij vond hem inderdaad een klootzak. Ze sprak het niet uit, maar ze begon harder te huilen. En ik zag het wit op heur haar, de gescheurde spijkerbroek die ze aanhad, ongetwijfeld door een eerdere val, en ik werd overladen door gevoelens van empathie. Ik ging voor die knaap staan, een jongen van mijn leeftijd, en vroeg hem waarom hij het meisje had geslagen. ‘Waar bemoei jij je mee, gap? Je bent dronken, ga naar huis. Ze is mijn vriendin, ik doe wat ik wil.’ Het meisje kwam tussen ons in staan. ‘Jouw vriendin? Het is uit… Begrijp dat nou eens een keer!’ De Molukse knaap wilde haar vastpakken, doch ik greep zijn hand en tackelde hem behendig, geholpen door de gladde ondergrond. Toen schopte ik hem twee keer op zijn ribben, spuwde in zijn gezicht en ging op hem zitten. Het meisje staakte het huilen en begon, volgens mijn voorbeeld, die klootzak ook te trappen. Eén keer raakte ze hem vol in zijn kloten. Een politieauto kwam aangereden, de agenten stapten uit en vroegen wat er aan het handje was. Het meisje vertelde dat ze aangevallen was door haar ex en die knakker werd meegenomen. Ik mocht, na het beantwoorden van wat vragen, naar huis.

Het meisje sloeg haar arm om die van mij en liep met me mee richting het station. Daar bette ik het bloed van haar gezicht met mijn mouw. Ze omhelsde mij, bedankte me omstandig en keek toen zorgelijk op de klok. ‘Mijn trein is vertrokken. Ik zit hier vast.’ Het fenomeen klagen beheers ik als de beste, maar dit was een schot voor open doel. ‘Je mag wel met mij mee, als je wilt. Heb ook nog een fles rosé staan.’ Ze weifelde niet. Wij waggelden naar mijn huis. Daar aangekomen, vroeg ze of ze eerst kon douchen en of ik iets had voor haar om in te slapen. Dat alles regelde ik voor mijn logé. Terwijl zij aan het douchen was, kroop ik in bed om mij voor te bereiden op een nacht vol dampende seks. Ik vocht tegen de slaap, ook omdat zij haar tijd nam. De volgende ochtend lag ze vredig naast me in bed te slapen. Nadat ze wakker werd, gaf ze me een zoen op mijn wang en ik werd bedankt omdat ik een gentleman was. Ik wist niet of er van dattum van gekomen was. Ik voelde een lege fles rosé onder de dekens, werd hevig gegeseld door nadorst en bedacht dat de missie geslaagd was. De drank had gezegevierd.