Een tocht langs het water
Het was een doordeweekse dag, ergens in de maand juni, toen ik besloot een wandeling te ondernemen langs de kade van de rivier. Mijn hoofd liep om, een kwaal waar ik regelmatig last van heb. Ik wilde gewoon niet meer nadenken, godverdomme! Was dat te veel gevraagd! Op een bankje van vermolmd hout zat een jongedame met wie ik wel over het leven wilde filosoferen. Zij was een lekker wijf, en dat pleitte voor het meisje. Ik nam zetel op de lege plek naast haar. ‘Zo, daar zitten we dan,’ vatte ik samen. ‘Kom je hier vaker?’ Ze keek me met bloeddoorlopen ogen aan, drukte ineens beide handen tegen haar gezicht en begon te schreien als een kind dat net de baarmoeder vaarwel had gezegd. Dat is me wat, dacht ik onwillekeurig. Zo snel had ik nog geen enkel wijf aan het huilen gemaakt. Een aantal omstanders wierp een wantrouwige blik op ons. Die mensen dachten natuurlijk dat ik de bron van haar verdriet was. Ik sloeg een arm om haar heen en begon haar te troosten. Iemand moest het doen.
‘Wat is er aan de hand?’ vroeg ik het mooie meisje. ‘Waarom huil je?’ Zij ordende haar blonde lokken, bette de tranen op haar gezicht met een tissue die ze al in haar hand had en begon te vertellen over een Tino. ‘Hij is vreemdgegaan, die lul! En nog wel met mijn nicht. Zoiets doe je toch niet!’ Ze vocht tegen de tranen. Ik trok mijn hand weg en keek haar aan. ‘Is Tino toevallig een man?’ Ze keek me behoedzaam aan. ‘Ja, natuurlijk!’ antwoordde ze toen. Ik verzat even op de bank, plaatste mijn rechterhand op haar knie en schraapte mijn keel. ‘Dan is het toch logisch dat hij vreemdgaat? Wij mannen gaan allemaal vreemd, behalve de flikkers!’ Ze duwde mijn hand weg. ‘Maar hij zegt dat hij van me houdt!’ Ik lachte even waardoor zij hopelijk ging denken dat ik haar een achterlijk kalf vond. ‘Natuurlijk. Ik sluit het niet uit dat hij van je houdt. Maar nog meer houdt hij van zichzelf. En vreemdgaan is een weldaad voor de eigen driften en verlangens van een man. Dus. Neem hem niets kwalijk.’
‘Jij spoort niet,’ brieste het mooie wijf dat ik heus een keer had willen bewijzen dat ik de beste minnaar van de hele wereld ben doch zojuist al haar kansen had verspild om dit ook in de praktijk te ondervinden. ‘Knap, hoor. Die conclusie. Normaal heeft zo’n derderangs mokkel als jij drie gebroken harten nodig eer ze dat doorheeft.’ Mijn gezellin sprong op van de bank, toonde mij haar kromme middelvinger en haastte zich naar de overkant van de weg, de woonwijk in. Het is ook altijd wat met die vrouwen. Ik zette vrolijk mijn tocht voort. Af en toe claxonneerde iemand ter begroeting. Ik zwaaide vrolijk terug, al wist ik dikwijls niet met wie ik van doen had. Op het volgende bankje zaten twee meisjes elkaar voor te lezen uit een tijdschrift. Na iedere zin giechelden de gedrochten. Want ja, de eerlijkheid gebiedt mij te zeggen dat beide wijven duidelijk last hadden van corpulentie. Wat heet! Had ze kostuums aangemeten van die lieve Borneodwergolifantjes, en ze hadden zo in loondienst kunnen werken bij Circus Renz. ‘Hallo,’ zei ik. ‘Mag ik vragen waarom jullie lachen?’
Beide meisjes liepen rood aan. Om mijn ego een boost te geven, veronderstelde ik dat hun rode gelaatskleur te wijten viel aan mijn prima voorkomen van viriele man met een enorm veel charisma. ‘Er stond iets grappigs in dit blaadje,’ verklaarde een van die tientonners. Ik pakte het tijdschrift uit hun handen, keek naar de cover en las de letters Viva. ‘Zo! Dit is me een vod van een blaadje, zeg! En jullie lezen deze troep?’ Nu werd het andere meisje strijdlustig. ‘Er staan interessante verhalen van intelligente vrouwen met een mening in, hoor.’ Ik lachte schamperend. ‘Interessante verhalen! Laat me niet lachen. Interessant voor mensen die volkomen zwakzinnig zijn misschien.’ Die twee figuren keken elkaar geschokt aan. ‘Ik vind dat je onnodig grieft,’ zei het eerste wijf vervolgens. ‘En ik vind dat jij een belediging bent voor iedere vrouw, met je overgewicht en die pukkels op je smoel. Misschien moeten jullie niet hier zitten, maar een abonnement aangaan bij de sportschool.’ Het mokkel dat eerder zo eloquent haar blad had verdedigd, stond moeizaam op, liet per ongeluk een scheet, en probeerde me een klap te verkopen.
Ik dook op tijd weg. ‘Mis!’ riep ik daarna opgewekt. ‘Zie je wel, jullie dikke wijven zijn ook zo traag als de pest.’ Nu stond haar vriendin ook op en ze kwamen op me af gehold. Uit angst voor mijn leven – misschien zouden ze mij levend oppeuzelen, weet jij het? – zette ik een sprint in. Zij bleven dertig meter achter me aan rennen, kennelijk met het doel me te vermoorden. Toen hielden ze ineens halt, bogen voorover, met allebei hun handen op hun vadsige knieën en puften de vele inspanning uit. Op een veilige afstand van hen staakte ik mijn sprint. ‘Ha, ongelooflijke dikzakken! Misschien hadden jullie me bijgehouden als jullie de Burger King wat vaker vermeden.’ De mormels draaiden zich om, reageerden niet meer op mijn woorden en liepen weer terug naar de bank. Ze zijn tegenwoordig ook zo ondankbaar, dacht ik. Tjonge! Ik geef ze gewoon oprecht advies, word ik zomaar opgejaagd. Een beetje ontdaan door hun onerkentelijkheid sjokte ik verder langs de rivier. Ik keek naar het water en dacht niets. Soms is het beter niet na te denken.
Op het volgende bankje, toch zo’n kilometer verder, zat geen levend wezen. Even prakkiseerde ik over de mogelijkheid daar te zitten, doch ik besloot anders. Ik liep door. Ik keek omzichtig over mijn schouders omdat ik bang was voor die twee sumoworstelaars. Zij waren er gelukkig niet meer. Een zwerver zat op het volgende bankje. Althans, iemand die er zo uitzag, bovendien dronk hij goedkoop exportbier. ‘Alles goed, makker?’ begroette ik hem. ‘Hee, hoo haa,’ luidde zijn antwoord. Ik ging naast hem zitten en keek in zijn rode tas van de Dirk. Er zat bier in. ‘Mag ik een biertje van jou?’ Hij zei: ‘Hee, hoo haa,’ en trok de tas verder naar zijn kant. Ik haalde tien euro uit mijn zak en legde uit dat ik twee blikjes wilde kopen. ‘Hee, hoo, haa!’ Hij ging overstag, die ongelooflijke hufter. Zonder een woord uit te wisselen, staarden we naar de IJssel. Mooi riviertje, dacht ik. Mijn vriend keek al even aandachtig naar de stroming van het water. Ik vroeg me af wat hij aan het denken was op dat moment. Het zou zomaar kunnen dat hij niets dacht, net als ik. En dat was goed.