Een wandeling

‘Morgen zal alles anders zijn,’ stelde ik de sombere Vietnamese loempiaboer gerust. ‘Die dag na vandaag?’ vroeg hij ernstig. Ik knikte instemmend. ‘Dan zal God ons omarmen en Zijn onberispelijke liefde valt niet te onderschatten, makker.’ Mijn boodschap toverde een glimlach op zijn gezicht. In de verte weerklonk een Aziatisch deuntje, ik veronderstelde dat hij ergens een wereldradio had staan. De wind blies lomp in de rondte. Veel mensen waren er niet te bekennen in de Zwolse wijk Holtenbroek, enkel een aantal neringdoende flikkers en bijzonder lelijke scholieren. ‘Nog eentje, nog eentje,’ drong hij aan. Ik overdacht zijn vraag, bestudeerde de loempia in zijn hand, kwam tot de conclusie dat die hufter me alleen gebruikte om tijd te doden en sloeg het aanbod beleefd af. Ik ging maar aan de kuier, even uitwaaien. Mijn hoofd liep om.

Ik stak de weg over, maar niet voor ik eerst links, rechts en weer links had geconcludeerd dat er geen dreigend gevaar in de buurt was, bijvoorbeeld in de vorm van een personenauto of een smoothiebar. Daarna liep ik als vanzelfsprekend over de parkeergelegenheid van het Bachplein en het eerste lastige vraagstuk diende zich aan. Wat te doen? Ik keek naar de Turkse kapper, de Turkse satellietwinkel en naar de Turkse grutter. Maar niet per se in die volgorde, overigens. Een bezoek aan Ömer, mijn immens populaire kapper, was bij voorbaat discutabel, vooral omdat ik eerder een blog over die parasiet heb geschreven. Je moet dat volk kort houden en niet te veel aandacht aan hen schenken, anders krijgen ze praatjes. Hij viel af, die ongelooflijke lul. Wijselijk vervolgde ik mijn tocht door me met ferme stappen richting de Zwolse experts binnen de branche van de schotelantennes te begeven. Voor de deur stond een grote doos vol sokken. DRIE PAAR VOOR ZES EURO, viel te lezen van een kaartje. Dat was duur.

‘Özcan, maak maar koffie voor ons,’ beval de eigenaar nog voor ik twee stappen in zijn lullige winkelpand had gezet. ‘Wie is ons?’ vroeg ik op mijn beurt. Hij keek om zich heen, alsof hij aan het zoeken was naar een derde persoon. ‘Voor jou en mij, natuurlijk.’ Ik liep naar het keukenblok, achter in de winkel, en liet wat water lopen in de waterkoker. Hij liep mee, want in die ruimte is ook zijn werkplek. ‘Maar ik lust geen koffie’, bedacht ik opeens. Hij rommelde wat met zijn soldeerbout, keek even op het televisiescherm toen een irritant toontje gewag maakte van een nieuwe winkelbezoeker en zei vervolgens: ‘Dan moet je alleen koffie voor mij maken.’ Terwijl hij een Somaliër met een botje door zijn neus aan een belkaart van Cobra hielp, prepareerde ik zijn koffie op de manier die hij blieft. Intussen analyseerde ik mijn leven. Al met al leid ik een kutbestaan, luidde de conclusie. Hij kwam terug, greep het kopje van het aanrecht en vatte post op zijn kruk.

De eigenaar van de satellietwinkel slurpte van zijn koffie, zoals alleen Turken dat kunnen. ‘Alles goed met jou?’ vroeg hij, zonder me aan te kijken. ‘Moest je dat niet eerder vragen, toen ik binnenkwam of zo?’ Buiten klonk hard gepraat. Vrouwen! Het leek erop dat er brouille was. Om niet langer één seconde van alle sensatie te missen, toog ik naar buiten. ‘Wil jij niets drinken?’ riep hij achter me aan. Ik keerde terug. ‘Ja, colacyaankali, doch de eerste pipo die me dat kan offreren moet ik nog tegenkomen.’ Eenmaal in de buitenlucht trof ik een viertal meisjes om op te kakken. Mocht ik na een flinke ramp de laatste man op de wereld zijn en zij de enige vrouwen, ik zou mezelf subiet van kant maken. Dan maar geen mensheid. Wat een lelijke wijven waren dat zeg! Zo, ik steek mijn tamp nog liever in een wespennest dan in de doos van een van deze mormels, dacht ik. Ze staakten hun verbale vechtpartij en riepen in koor: ‘Hoi’. Ik voelde me bedreigd. ‘Ach, val toch allemaal dood, het liefst synchroon.’ Daarop stiefelde ik de grutter binnen.

‘Wat doe jij hier?’ Ömer, mijn kapper, was zich van geen kwaad bewust en keek me, met die koeienogen van hem, vol onbegrip aan. ‘Ja, ik heb liever dat je hier niet bent, ga maar naar je eigen zaak. Misschien heb je wel klanten.’ Zowel hij als de kruidenier moesten lachen. ‘Waarom dan?’ vroeg de laatste. ‘Ik heb al eerder over hem geschreven. Ah, wat kan het me ook verrotten,’ bedacht ik toen, ‘blijf maar.’ Ze hadden het over de nakende zomervakantie, daar praten Turken altijd over. Ik onderzocht het assortiment, trok een zak zonnebloempitten uit een schap en bewoog me richting de kassa. ‘Wie ben jij eigenlijk?’ vroeg de eigenaar van de winkel aan mij. Ömer moest lachen, die kale tuinkabouter. ‘Niemand van belang, althans niet voor jou.’ Hij keek me aan alsof hij een achterlijk diertje was. ‘Zal je hier vaker komen?’ vroeg hij. ‘Reken er maar niet op, schoft.’ Hij treurde duidelijk. ‘Alsjeblieft?’ Nu was ik het zat. ‘Nee!, jij hufter van de hors categorie.’ Na het afrekenen en verlaten van de winkel prevelde ik: ‘Het is inderdaad de eerste keer dat ik deze winkel aandoe.’

Daar liep ik dan, met een zak zonnebloempitten in mijn hand en een onvoldaan gevoel in mijn kloten, richting het winkelcentrum, zomaar op dinsdagmiddag – dat wist je nog niet, hè? Maar ik moest weer langs de satellietwinkel. De eigenaar stond tussen de deurposten een sigaret te roken. ‘Heb je genoeg sokken thuis?’ riep hij. ‘Het is koud, hoor!’ Ik gaf hem zes euro, greep wat zwarte sokken en zei hem definitief gedag. Na het oversteken, niet minder voorzichtig dan de vorige keer, keek ik over mijn schouder en zag de drie winkels. Het was me wat. Ik had me voorgenomen om de wijk in te lopen, volgens de mythe woonde daar een aantal losgeslagen wijven dat met graagte als parkeergarage voor piemels fungeerde. Ik passeerde de loempiaboer en zijn kraam en zwaaide naar de koukleumende Vietnamees. Of zou het een Chinees zijn? Ik sluit het niet uit. Hij moet mijn bedrukte gemoed hebben geroken, of op zijn minst gevoeld. ‘Tot ziens, vriend. Wachten op morgen. Morgen alles anders.’ Dat viel nog te bezien, dacht ik. En ik verdween in de wijk.