Expeditie naar het niets

Vaak nietsdoen maakt een mens moe. Soms gretig. Nog vaker lui. Die gedachten bekropen me toen ik gisteren rond een uur of acht wakker werd. Het vooruitzicht van de dag baarde me zorgen. Ik wist dat ik wederom helemaal niets ging aanvangen en ongetwijfeld in dronken toestand – net als alle eerdere dagen – zou terugkeren in mijn bed. Dus ik besloot erop uit te trekken, naar school gaan en zo. Een mens moet zich niet willens en wetens isoleren. Zeker niet in mijn geval. Dat is karaktermoord. Een bruut misdrijf tegen de mensheid, vooral omdat een ontmoeting met mij een verrijking is voor de dag van een ieder. En ik ben de beroerdste niet. Ik strooi graag met een beetje van mezelf. Dus ik ging.

Maar eerst sliep ik nog drie uur door.

Na een bescheiden ontbijt en een veel te lange douche, kleedde ik me aan en kuierde vrolijk naar buiten om mijn fiets uit de schuur te halen. Toen ik tien minuten in die schuur had staan zoeken en hevig zwetend de moed opgaf, bedacht ik me plots dat ik helemaal geen fiets heb. Dat was een fikse tegenvaller, zo vroeg in de middag. Aangedaan slenterde ik in traag tempo richting de hogeschool die op enkele minuten van mijn huis zijn bestaan leidt. En als je eenmaal op het traject bent beland van de kudde studenten die de weg van het station naar de campus aflegt, dan valt er geen autonome snelheid meer te bepalen. Nee, dan word je opgeslokt in doelloze gesprekken over weekendplannen en leraren die niet helemaal in de smaak vallen bij de heren en dames adolescenten.

De school was bereikt, de marteling was voorbij. De studenten laveerden naar de diverse gebouwen, een aantal besloot eerst nog even een sigaretje op te steken en weer een andere groep bleef om onduidelijke redenen bewegingloos voor een gebouw staan. Het was koud, bovendien viel er weinig te beleven, dus bewoog ik mij direct voort naar het D-gebouw, de plek waar vooral de opleiding Journalistiek zetelt. Vanuit de kantine weerklonk een pandemonium van gekrijs, alsof een beul zojuist het speelgoed van een klas mongooltjes had afgepakt. Ik besloot een kijkje te gaan nemen, misschien lag er die dag wel een rol van volksheld voor mij in het verschiet, dacht ik. Je weet het niet. De waarheid bleek anders. Twee jongens en twee meisjes stonden met overdreven begeestering een potje tafelvoetbal te spelen, waarbij men veelvuldig aan de stangen van het ding stond te draaien en allerlei oerkreten slaakte. Zij hadden lol.

Ik niet.

Daarom klauterde ik maar de trap op naar boven en zocht naar echt vertier in de mediatheek van het schoolgebouw. Daar zag ik algauw dat iedere computer bemand was. Veel van de mensen achter de pc’s waren jongens en zij hadden een flinke koptelefoon op. Toen ik nog dichterbij kwam en zicht kreeg op hun beeldschermen bleken zij allemaal een spel te spelen. Ze gaven elkaar instructies via een microfoontje, dat geïntegreerd was in hun hoofdtelefoon. ’Kill, kill, kill’, riep er één. Ik tikte hem op zijn schouder. ‘Wat ben je aan het doen, vrind?’ Hij keek even omhoog, maar negeerde mijn vraag. Het werd mij duidelijk dat het wel snor zat met de toekomst van het vaderlandse journaille. Maar ja, dat soort dingen interesseert me ook eigenlijk geen ene kut. Ik wilde alleen maar een aantal lekkere wijven zien, op wie ik kon geilen. Dus ik flaneerde me een weg langs die kuttekoppen en belandde in de wandelgangen.

Daar groette ik minstens drie docenten die mij in eerdere schooljaren nog wijzer hadden gemaakt dan ik al was. Daar ben ik hun heel dankbaar voor. Vervolgens vatte ik post naast een meisje dat ooit – ik weet niet wanneer – in dezelfde klas zat als ik. Zij deed overdreven vriendelijk tegen me en vroeg wat ik nu deed en in welke fase van de studie ik was beland. Op haar moeilijke vragen wist ik geen antwoord. Dus ik stelde dezelfde vragen aan haar. Het meisje zat inmiddels in haar zesde studiejaar. Ze was kennelijk al vertraagd toen ze bij mij in de klas zat. Daarbij had ze grote moeite met een vak. Ik had er destijds een acht voor, wist zij mij te vertellen. Of ik haar niet wilde helpen met haar dossier. Ik stond op en zei dat ze maar mooi de kriebelziekte op haar vagina mocht krijgen. Verwende dorpssnol, dacht ik. Zo lang je ouders hebt die je studie blijven betalen, zal je het nooit halen.

Daarop baande ik mij een weg naar de uitgang. Een trits studenten had zich intussen opgesteld op de stoep van de school en wilde een aantal domme vragen stellen aan passerende mensen. Ik paste voor de eer. Via de slijterij en de supermarkt kwam ik uiteindelijk thuis. Ik drukte de televisie aan, startte de computer op en begon te nippen aan een glas Whisky. Al snel was ik tipsy. Mijn maag begon te knorren. Het duister zou ieder ogenblik aantreden, de avond was in aantocht. Ik keek naar de verkleurde hemel en zag de rode zon. Ik dacht aan een heel mooi meisje. ‘Kijk, lieverd… Zelfs de zon moet blozen van je schoonheid.’ Morgen zal alles anders zijn, dacht ik. Vandaag was voorbij. Er was genoeg inspanning geweest voor één dag. Ik was doodmoe. Ik heb mijn best gedaan, dacht ik. Echt, meer ligt er niet in mijn macht.