Fietsen? Liever niet.

De laatste keer dat ik een fiets bezat was ruim vijftien jaar geleden, in het examenjaar van het middelbare onderwijs. Daarna ben ik nooit meer op een zadel geklommen, simpelweg omdat niemand van mijn leeftijd dat nog deed. Het was niet stoer.

Ik heb hier al die tijd nooit bij stilgestaan, maar de afgelopen maanden – nu ik vaker in Amsterdam vertoef – vraagt mijn omgeving steeds frequenter waarom ik al die lange stukken wandel en niet gewoon een fiets aanschaf, of desnoods een scooter. Het zou de boel inderdaad behoorlijk vergemakkelijken als ik me in Amsterdam op een tweewieler van de ene naar de andere afspraak kon verplaatsen.

In de hoofdstad is een auto waardeloos. Vooral in het centrum, waar de grachten, vaak eenrichtingswegen, het merendeel van de tijd door springerige toeristen worden bevolkt. Het uurtarief voor een parkeerplek is bovendien gelijk aan het uurloon van een leraar. En naast alle praktische overwegingen is een fiets natuurlijk ook folklore.

Diezelfde toeristen die de grachten met hun aanwezigheid ontsieren, voelen bij hun bezoek de noodzaak om minstens één dag een fiets te huren. Daarmee maken ze de binnenstad nog onveiliger dan zij al is, om maar niet te spreken van een regelrechte jungle. De fiets hoort bij onze cultuur, dat zal ik niet tegenspreken, en wie nooit heeft leren fietsen, is eigenlijk geen Nederlander. Het is een van onze oer-Hollandse tradities. En toch doe ik hier niet langer aan mee, omdat ik het niet meer kan opbrengen.

Het is allemaal fout gegaan in mijn jeugd, toen we in armoede elkaar een verknipt wereldbeeld opdrongen en de fiets absoluut een goed vervoermiddel was, maar tegelijkertijd symbool stond voor maatschappelijk falen. Alleen kinderen en volwassen sloebers fietsten, iemand die het écht goed voor elkaar had, kocht een auto. Bij voorkeur een Mercedes, BMW of Volkswagen, de standaardmerken waarvan sommige modellen tegenwoordig in de volksmond ook wel Turkenbakken worden genoemd.

Iemand met veel geld en aanzien tufte niet op een fiets door de buurt, dan zou je vierkant worden uitgelachen en misschien wel gestenigd. In onze wijk zag je aan de buitenkant van mensen of ze het goed voor elkaar hadden, bijvoorbeeld aan kleding, juwelen, de inrichting van het huis, het geld dat zij verbrasten en dus het vermoermiddel.

Ik weiger dus te fietsen omdat ik uit een machocultuur kom en hoewel ik me aan veel facetten uit mijn jeugd heb ontworsteld, is deze afwijking blijven hangen. Er zijn meer allochtonen die niet fietsen: hun argumenten komen waarschijnlijk overeen met mijn motivatie, maar deze opvatting gaat niet alléén voor Turken en Marokkanen op.

Het is een wet binnen de sociale onderklasse. Ik heb nog nooit van mijn leven een grote tokkie met tatoeages en gouden kettingen gezien die in strakke Italiaanse designerkleding op een stalen ros zat, dat is echt ondenkbaar. Ook binnen deze kringen is er maar een mogelijk vervoersmiddel: de auto. Alles wat daaronder zit, is een teken van pauperisme.

Nu zijn er ongetwijfeld veel mensen die dit allemaal kinderachtige onzin vinden van mannen met onvolgroeide hersenen, maar ik zou blij zijn dat ons soort bestaat. De meeste binnensteden in Nederland kampen met enorme problemen, de fietspaden kunnen de drukte niet aan en er zijn onvoldoende parkeerplekken. Daarbij zijn fietsers in grote steden over het algemene megalomane gekken die denken dat ze alleen op de wereld leven, en zich in het verkeer ook als zodanig gedragen.

In de Randstad is de fiets bovendien belangrijker dan op overige plekken in het land. In Amsterdam en Rotterdam ligt alles binnen handbereik, er is een goed aanbod op maar een paar minuten fietsen, maar in de provincie moet je vaak langere afstanden afleggen om op een specifieke bestemming te komen.

Er is niets ergs aan fietsen, maar ik doe er niet aan mee. Ik zal die televisiepresentatoren, ministers en zakenmensen met veel geld én een fiets niet snappen. Laat je toch lekker rijden. Dat is veel stoerder.

(deze column verscheen eerder in Nieuwe Revu)