Gastronomische vorm van racisme
Ooit ontmoette ik ’s ochtends vroeg, na een lange zomeravond stappen in de binnenstad van Deventer, een zelfbenoemde tegenstander van de multiculturele samenleving, daar kwam hij openlijk voor uit. Hij was getooid in een zwarte bomberjack en een witte trui van het merk Lonsdale. Hij droeg een aftandse spijkerbroek en had witte veters in zijn kapotgelopen kisten. Kortom, hij markeerde met zijn voorkomen het stereotype dat heerst rondom veel rechts-extremistische jongeren. Wij waren beiden dronken, doch er heerste geen agressieve sfeer. We bespraken – heel amicaal – zijn bezwaren.
De reden waarom ik aan deze jongen moet denken, is een bericht dat ik gisteren tegenkwam in de zondageditie van De Telegraaf. In Italië heeft de regering van Silvio Berlusconi besloten dat zij niet langer vergunningen verstrekt aan ondernemers die een zaak willen beginnen waar buitenlands eten wordt gemaakt en verkocht. Dat is op zijn zachts gezegd opmerkelijk te noemen. Zelfs de Siciliaanse keuken moet het ontgelden, daar deze teveel Arabische invloeden kent. De Franse keuken wordt daarentegen gedoogd. Ook dat is vrij markant. Je zou bijna denken dat ze in Italië onderscheid maken tussen verschillende volken en rassen. Als je dat in Nederland doet, krijg je Gerard Spong op je dak en word je berecht door het Openbaar Ministerie.
Goed.
Het ging over die Lonsdale-jongen.
Terwijl hij hevig aan het knabbelen was aan zijn broodje Döner, vroeg ik hem welke zaken zouden veranderen als hij het voor het zeggen kreeg in Nederland. Hij hoefde niet lang na te denken. ‘Alle werkeloze buitenlanders moeten het land uit, eh… rassenvermenging is niet langer toegestaan, net zoals die zogenaamde gezinsherenigingen – herenigen doen ze maar in hun eigen land. Remigratie van alle allochtonen zal gestimuleerd worden en er komen speciale wijken voor buitenlanders die hier geboren en getogen zijn, maar die wijken mogen zij niet verlaten.’ Ik dacht even na over zijn beleid. ‘Dus met dat laatste punt bedoel je eigenlijk iets zoals die getto’s destijds in de Tweede Wereldoorlog?’ Hij knikte even. Daar kwam het de facto op neer.
‘Dat is nogal wat,’ zei ik met een cynisch ondertoontje. ‘In jouw ideale wereld hadden wij dit gesprek dus ook nooit kunnen voeren?’ Hij keek even in de lucht en slikte met moeite een stuk vlees weg. ‘Daar komt het wel op neer, hè? Maar misschien kan jij terecht in België of zo, jij spreekt de taal wel goed.’ Ik grinnikte even. ‘Misschien wel. Even met Philip bellen.’ Hij at weer van zijn broodje Döner zoals alleen dronken mensen dat kunnen. De knoflooksaus en de sambal gleden langs zijn kin en druppelden heel geleidelijk op zijn trui. Hij merkte er niets van en nam een adempauze. Ik knikte hem bemoedigend toe. Deze jongen kende ik van haar noch pluim, toch had hij een voorgeprogrammeerde aversie tegen alles wat anders was. Dat vond ik fascinerend. Er bekroop mij geen enkel gevoel van woede of misschien zelfs agressie.
‘Wat ga je eten na het uitgaan als alle buitenlanders uit Nederland zijn?’ Hij keek naar zijn broodje en smeet het weg. ‘Die broodjes kunnen wij ook wel zelf maken, daar is niets aan.’ Ik lachte even. ‘Ja, dat zou je inderdaad kunnen doen, maar dan is jouw creatie nog wel gebaseerd op een buitenlandse invloed. Of je moet natuurlijk iedere keer na het stappen boerenkool en frikadel eten. Dat kan ook.’ ‘Daar is helemaal niets mis mee!’ zei hij met een stemverheffing. ‘Dat zei ik ook niet, dat er iets mis mee was. Maar je moet er rekening mee houden dat je dan ook niet even Roti kan halen, of een pizza en denk maar niet dat de loempiaboer iedere vrijdag zal komen opdraven op de braderie.’ ‘Dat zijn kwade invloeden die wij moeten bannen uit ons systeem. Dat is ons allemaal opgedrongen door de linkse regeringen. Een echte Nederlander kan zonder die troep.’
Hij trok de rits omhoog van zijn bomberjack en zag dat zijn trui besmeurd was met de sausen uit het broodje. ‘Shit.’ Hij gaf mij waarachtig een hand ter afscheid en liep richting een boom, waartegen zijn fiets stond gestald. Eerst trok hij zijn leuter uit zijn broek en begon te pissen tegen diezelfde boom. ‘Maar al die Nederlanders die wel van dat eten houden en niet kunnen wennen aan een Nederland zonder invloeden van buitenaf. Wat ga je daarmee doen tijdens je bewind?’ Hij peinsde even, terwijl hij onbekommerd bleef doorpissen. De jongen sloot zijn gulp en nam de fiets in zijn hand, die niet op slot stond. ‘Die Nederlanders moeten we overtuigen van het belang van een zuiver Nederland. Als zij zich niet laten overtuigen, sturen wij hen ook weg. Maar een echte Nederlander houdt van zijn land, dat komt dus wel goed.’ Hij liet zijn fietsbel klinken en verdween in de nacht. Ik bewoog mij richting de dönerzaak en bestelde een Turkse Pizza met vlees. Daar had ik zin in.