Giethoorn

… liep ik met mijn beste vriend over het Binnenpad in Giethoorn. Het was koud en pikdonker. Ik kende het dorp van vroeger, toen we daar met school gingen punteren. Het idee daarvan is simpel; een bootje, ondiep water en een stok om mee af te zetten.

We waren op zoek naar het vakantiehuis van mijn vriendin, die zich een paar dagen heeft teruggetrokken omdat ze aan haar debuutroman wil schrijven. Ze zit daar met een oud studiegenootje, dat aan haar PhD werkt.

Ik had drie plastic tassen bij me, volgeladen met boodschappen uit de Turkse winkel. Mijn vriendin mag niks tekortkomen.

Volgens de navigatie op mijn  telefoon duurde het nog een minuut. Şaban droeg een zaklamp in zijn rechterhand.

‘Deze is met LED-verlichting,’ zei hij niet zonder trots. ‘Hij heeft een vermogen van 270 lumen. De politie gebruikt troep, hun zaklampen hebben maar 210 lumen.’ Hij ging voor mij lopen, scheen in mijn gezicht en een aantal seconden zag ik helemaal niets, verblind door het felle licht. Dat was inderdaad een krachtig zaklampje, zeg.

In een huis rommelde een dikke vrouw in de keuken, druk in de weer met een koekenpan en een theedoek. Verderop loeide een koe, of een vaars, of een kalf.

‘Kijk, kijk,’ riep Şaban. Hij richtte zijn lamp op een talud. ‘Dat is een reiger. Echt een mooi beest.’ Mijn beste vriend houdt van dieren.

Onze wandeling duurde inmiddels een halfuur, de navigatie op mijn telefoon stuurde ons van het kastje naar de muur – zoals het spreekwoord luidt.

Ik kreeg de indruk dat iets niet klopte, daarom controleerde ik nog een keer het adres dat mijn vriendin had doorgestuurd. We kuierden over het Binnenpad, dat was goed, maar waar was dat vakantiehuis in vredesnaam?

‘Een wild konijn,’ riep Şaban. ‘Wow, Giethoorn is echt tof.’ Hij wees naar de verte, naar het onafzienbare landschap en hield de lamp boven zijn hoofd.

Ik zag het diertje schuchter vluchten.

De geur van gebakken vlees overwoekerde het pad. Een meisje liet haar hond uit. Şaban staarde naar het beest, dat hijgend terugkeek, met een blik in de kop alsof het snel wilde terugkeren naar de warmte van de kachel. Ik vroeg aan het meisje of zij ons kon helpen. Zij was hier ook niet bekend.

Twee eenden dreven over het water. De sterrenhemel hing prachtig in de lucht. Het enige geluid dat ik hoorde, was het ruisen van de koude wind. Mijn vingers deden pijn.

Ik belde mijn vriendin en vroeg nog een keer naar het adres. Zij had een verkeerd huisnummer doorgegeven, namelijk dat van haar woning in Amsterdam. Ik wond me op, maar dat had natuurlijk weinig zin. Vijf minuten later zagen we elkaar – eindelijk.

Ik legde de tassen op het aanrecht. Şaban dronk jenevercola. Ik ook. Mijn vriendin en haar voormalig studiegenootje aten pizza. Iets na tienen keerden wij huiswaarts. Nu kenden we de weg. De reiger was verdwenen.

Maar Şaban zag nog wel een zwarte kater.