Hardleerse straatmuzikanten

Liep vanaf het centraal station in Amsterdam op mijn dooie akkertje richting de binnenstad, op weg naar de uitgeverij. Het motregende. De toeristen krioelden hinderlijk voor en langs me heen. Opeens werd ik in omslachtige bewoordingen gewezen op redding die lonkte, ook voor mij. Twee vrouwen in fluorescerend groene hesjes verzekerden me dat mijn ellendig kutleventje een positieve wending zou krijgen als ik begon te geloven in Jezus Christus van Nazareth. Nog voor ik een cynische opmerking kon plaatsen, begon een provinciaaltje keihard te roepen. ‘Godverdomme!’ Zijn vrienden moesten onbedaarlijk lachen om de paljas. Ik ook, om eerlijk te zijn. Het geloof had de vrouwen lankmoedig gemaakt, zij haalden zwijgend hun neus op voor de beledigende woorden en continueerden hun profetie.

Iets verderop, vlak voor het Damrak, zat een zielig hoopje vrouwmens ongeïnteresseerd een aantal onvindbare noten te zoeken op haar accordeon. Zij was een lelijke zigeuner, vooral de vuile vaatdoek op haar hoofd maakte haar niet mooier. Een blik op haar collectebak leerde dat zij pover werd beloond voor haar muzikale performance. ‘Spreek je Nederlands?’ vroeg ik. Ze lachte. Twee gouden tanden werden zichtbaar. ‘Een beetje,’ was haar antwoord en ze bracht haar duim en wijsvinger heel dicht bij mekaar om aan te tonen in welke mate zij de taal beheerste. ‘Je moet wat beter je best doen,’ ried ik haar aan. ‘Je choreografie is niet om over naar huis te mailen. Je speelt veel te traag. Bovendien zou je wat moeten doen aan je kleding. Investeer in een stilist, vraag hem om make-up.’ Ze begon hevig te knikken. ‘Ah, dank je wel, mijnheer.’ Toen staarde ze in het schamel gevulde bakje. Ik wierp er een euro in, groette haar en vertrok.

Een hippie met een gitaar was op het Spui bezig om eigenhandig Dust in the wind van Kansas te verkrachten. De snaren van zijn instrument hadden geleden. Sterker, slechts twee snaren waren nog intact, de overige hingen erbij als zielloze ratelslangen. Een enorme uithaal, midden in het nummer, pakte niet goed uit. Hij begon hevig te hoesten, rochelde wat en een groengele fluim verliet zijn bek. De hippie toverde een platvink uit zijn jaszak en nam een flinke teug uit het onmisbare object voor fulltime alcoholisten. Zonder aarzeling zette hij zijn show weer voort. Niemand leek geïnteresseerd in hem, zelfs de overijverige Japanners waren Oost-Indisch doof voor de man in de roze lakbroek. Toen het liedje afgelopen was begon hij te klappen voor zichzelf, vooral omdat niemand anders het deed. Uit barmhartigheid hielp ik hem twee handjes. ‘Any requests?’ vroeg hij toen we uitgeklapt waren. ‘Ja, dat je opflikkert naar huis, vieze hufter.’ Hij negeerde mijn verzoek, snoof wat en hervatte zijn concert met La Bamba van Ricky Valentine.

Ik was bijna gearriveerd op mijn bestemming toen ik opeens herkenbare klanken opving, ergens uit de verte. Ik bewoog me naar het epicentrum van het geluid en zag een enorme mensenmassa in een halve cirkel om een dandyeske mulat staan, een vrij jonge kerel. Hij had ook een accordeon in zijn hand doch was duidelijk vaardiger dan het zigeunertje. Hij werkte het oeuvre van Yann Tiersen af. Het was alsof je stond te luisteren naar de echte artiest, die verantwoordelijk was voor de composities. De mensen stonden zichtbaar te genieten van zijn optreden, beloonden hem scheutig, getuige ook de strohoed die uitpuilde van het geld en op een meter afstand van hem lag. Een puber kwam om de vijf minuten de winst afromen, opdat het geld niet door iemand werd meegenomen of gewoon zou wegwaaien. Ja, want deze man kreeg ook papiergeld, zo groot was de waardering. De Rue des Cascades werd net afgerond toen ik besloot dezelfde route die ik eerder had afgelegd, terug te lopen om op zoek te gaan naar de figuren die ik een paar minuten eerder was tegengekomen.

Eerst kwam ik de man met de gitaar tegen. ‘Kom, ik zal je eens een rasartiest laten zien. Dan weet je hoe het moet.’ Hij keek me schaapachtig aan, liep naar het trappetje voor een huis, plofte neer en viel in slaap. Die was game over. Ik banjerde voort naar de zigeuner. Zij zat er nog steeds. ‘Kom,’ zei ik hijgend, ‘er is iemand die de accordeon veel beter beheerst dan jij. Misschien kun je bij hem in de leer. Je zal dan ook meer verdienen, weet ik zeker.’ Ze lachte weer haar gouden tanden bloot en begon hevig te knikken. ‘Ah, dank je wel, mijnheer.’ Maar richtte zich niet verder op. Haar kont was vastgeroest aan de koude grond. Als laatste deed ik een verwoede poging bij de volgelingen van Jezus. ‘Ik denk dat jullie wel wat ontspanning hebben verdiend. Willen jullie een echte performer zien?’ De vrouwen waren in hun onmetelijke drang om God te dienen al het contact met de mensheid verloren. Zij bleken niet in staat om over iets anders dan hun Heer te praten. Ik kreeg weer nul op het rekest. Ik droop af richting mijn aanvankelijke bestemming, de uitgever, en vroeg me onderweg af of ambitie en goede smaak nog bestond.