Het downsyndroomlijdertje

Het mongooltje draaide als een op hol geslagen molenwiek onophoudelijk rondjes op de vierkante meter. De passanten in de stationshal van Zwolle keken beurtelings naar de jonge knaap, maar niemand had de prijzenswaardige moed om hem een halt toe te roepen. Liever gedroegen zij zich als ramptoeristen, circusklanten of dierentuinbezoekers. En zo draaide hij in het rond, wel vijf minuten lang, blind en doof voor het gegniffel van omstanders. Ik liet de bus vertrekken zonder mij als passagier en bestudeerde het tafereel onverzadigbaar. Het was druk in de stationshal, dat kwam door de sneeuw en de kou. Je zou denken dat zo’n downsyndroomlijder een keer duizelig moet worden, doch deze jongen was niet te temmen. Hij bleef maar om zijn as draaien, zonder een centimeter van zijn plaats te wijken. Ik stond erbij, en ik keek ernaar.

Van mijn ouders mocht ik als kind nooit mongooltjes uitlachen, ook omdat de helft van mijn familie volslagen achterlijk is. Ongelogen. Daarom negeerde ik iedere vorm van vrolijkheid die het mongooltje bij me wist op te roepen, keek ik de mensen boos aan die smadelijk aan het lachen waren en ging ik me zelfs ontfermen over het mafkikkertje. Allereerst zocht ik in de hal naar eventuele begeleiding, die bij hem zou kunnen horen. Ik bedoel, zo’n jongen hoort toch niet alleen het huis te verlaten om enkele momenten daarna op station Zwolle het mikpunt van spot te worden. Er was bij de ticketservice geen hond te bekennen, evenmin bij het geldwisselkantoor en de boekhandel. Vreemd, dacht ik. Tezelfdertijd passeerde een groepje tienermeisjes mij. Zij kregen de jongen in hun vizier, stootten elkaar even aan en barstten toen los in luid gelach. En de jongen… Die deed niets. Die bleef onvermoeibaar doordraaien, zonder enige notie van het leedvermaak van de kleingeestige pubers.

Na tien minuten had hij zijn excentrieke dansstijl nog steeds niet gestaakt. Het aantal lieden dat in de ruimte stond tierde welig in omvang. Ik bewoog me door de massa en tikte hem op zijn schouder. Hij reageerde niet. Na een poos probeerde ik het wederom, maar er viel ook deze keer geen contact met hem te leggen. De mensen keken mij beduusd aan, alsof ik iets zeer verachtelijks had gedaan. ‘Jongen,’ wendde ik me tot hem, ‘zou je er niet beter aan doen om thuis door te draaien? Shit, oh nee, zo bedoel ik dat niet. Lullig woordgrapje, doch onbedoeld. Nee maar, serieus… Makker. Is het niet tijd om uit te scheiden met dat gedraai. Je wordt er duizelig van en die mensen hier, ik zou ze stuk voor stuk molesteren als het er niet zo veel waren, die lachen je alleen maar uit. Die hebben geen stukje gevoel in hun kloten. Wil je wat warme chocolademelk? Ik trakteer.’ Zijn antwoord was: ‘Muhugggg muhugggg muhugggg ohh muhugggg, bléhhhh!’

Met die knakker viel geen land te bezeilen, voor deze diagnose hoefde je geen ingewikkelde dokterstitel te dragen en daarbij verantwoordelijk te zijn voor een aantal gelauwerde proefschriften. Zo gek als een deur, onze draaimolen. Een conductrice liep naar me toe. Ze droeg een walkietalkie in haar hand. ‘Wat is er loos?’ Ze keek naar de jongen, die nog steeds aan het draaien was, en ik volgde haar voorbeeld. ‘Nou, mevrouwtje… Deze jongen staat hier,’ ik keek op de grote stationsklok, ‘toch al zo’n kwartier lang een reeks van onderwijl honderden rondjes te… ehm… draaien, en geen haan die naar hem kraait.’ De conductrice liet er geen gras over groeien. Ze greep hem bij zijn schouder en dwong hem te stoppen. ‘Hou, op. Is het nu klaar!’ beet ze hem toe. ‘Nu is het afgelopen, verdomme. Doe even normaal.’ De mensen kwamen dichter bij het spektakel staan. ‘Mevrouw,’ zei ik, ‘volgens mij is dat net het probleem, dat normaal doen. Ik denk dat hij ziek is, u weet wel, hierboven.’ Ik wees op mijn hoofd.

‘Thijs!’ schreeuwde ze nu keihard door de galmende ruimte. ‘Hou nu op! Stel je niet zo aan. Als je nu niet ophoudt, mag je nooit meer mee om naar de treintjes te kijken.’ De conductrice verzamelde al haar krachten om de jongen te stoppen. Ze vielen samen op de grond. De vrouw begon te schreien, uit schaamte waarschijnlijk. De jongen lachte luid. Mocht ik een greintje gevoel in mijn lichaam hebben, ik zou ontroerd zijn. Nu hielp ik de dame overeind. De jongen stond uit eigen beweging op, omhelsde zijn moeder stevig en vroeg om iets onduidelijks. ‘Ja, lieve jongen… Loop maar mee naar de kantine, mama zal het voor je kopen.’ Voor moeder en zoon de hal verlieten, legde ze een hand op mijn onderarm en prevelde: ‘Dank je wel.’ Ik zwaaide naar Thijs en hoopte dat hij dolgelukkig zou worden. Hij keek mij aan met een brede lach op zijn gezicht en zwaaide terug. ‘Muhugggg muhugggg muhugggg ohh muhugggg, bléhhhh!’