Het kankermeisje

Het meisje dartelde monter over de Melkmarkt in Zwolle, lachte beleefd en zonder rancune na iedere afwijzing en was onafscheidelijk van haar witlederen multomap met daarin enkele aanmeldformulieren. Haar job was het werven van nieuwe leden voor het kankerfonds. Ze was er goed in. Terwijl haar collega’s verveeld met elkaar stonden te roezemoezen over populaire aardse zaken, trok het donkerblonde meisje welhaast iedere voorbijganger aan zijn jas. Ik werd ook aangeklampt door haar. Zij deed haar relaas over de noodzaak van meer donerende leden. Kanker was een verschrikkelijk iets, deelde ze me mee, nog te veel mensen bezweken aan de ziekte. Daar was ik het wel mee eens. Ik bestudeerde haar tieten toen ze me enkele statistieken opsomde.

Normaal ben ik er gauw bij om iemand belachelijk te maken die me iets probeert aan te smeren op straat, doch dit meisje kreeg een serieuze behandeling. Ze had haar lichaam mee, namelijk. Ik sloeg m’n armen in elkaar en ging recht voor haar staan. Het kankermeisje begon zich ongemakkelijk te voelen, wiebelde wat met haar voet en keek zenuwachtig om zich heen. ‘Daarom is het dus ontzettend belangrijk dat we meer leden binnenhalen.’ Ik knikte instemmend. Het was even stil. Kennelijk was ze klaar. ‘En wat gaat het mij kosten?’ vroeg ik met oprechte interesse. Ze analyseerde een lichtblauw document. ‘Minimaal vier euro en er is eigenlijk geen maximum.’ Ze moest guitig lachen toen ze die laatste zin uitsprak. Ik deed even alsof ik diep nadacht over de zakelijke propositie die ze hier zomaar eventjes neerlegde, op een inwisselbare voorjaarsdag in de hoofdstad van Overijssel.

‘Maar wat krijg ik ervoor terug dan, als ik donateur word?’ Ondanks de irritante vraag raakte ze niet uit haar hum. ‘Hoe meer mensen doneren, des te meer onderzoekers zonder zorgen zich kunnen specialiseren in de ziekte. Er komen meer faciliteiten en de kans op het vinden van een medicijn wordt groter.’ Dat was klare taal. Ik bezichtigde haar kont toen ze een paar meter verderop moest bijspringen omdat een nieuwbakken collega niet uit de formulieren kwam. ‘Sorry!’ riep ze terwijl ze terugliep naar mij. ‘Waar hadden we het ook alweer over?’ Ik pakte een balpen uit mijn jaszak en liet die theatraal aan haar zien. ‘Nou, de deal is bijna beklonken, doch jij ging net vertellen welke voordelen ik aan deze transactie overhoud.’ Ze sloeg me plagerig om mijn schouder en toverde een enorme lach op haar gezicht. ‘Je bent me aan het pesten, hè? Stommerd!’ Tijdens het invullen van de formulieren zei ik ernstig dat ze me deze week moest bellen, mijn nummer stond op het formulier. ‘Dat ga ik zeker doen, schat,’ antwoordde ze ondeugend.

Dat was me wat. Met dat kankermeisje. Twee weken waren gepasseerd en nog had die hoer me niet gebeld. Ik was gekrenkt in mijn eer. Die gedachten overvielen me gisteren in de trein, op het moment dat we Zwolle binnenreden. Ik liep stoned van vermoeidheid richting mijn bus, toen ik opeens een stemmetje hoorde: ‘Mijnheer, Mijnheer… Mag ik u wat vragen?’ Ik draaide me om en zag het kankermeisje mijn richting op huppelen. ‘Hé,’ zei ik, ‘jij bent het.’ Ze fabriceerde een vrij gekunstelde glimlach op haar gezicht en keek me vragend aan. ‘Weet je niet meer wie ik ben?’ vroeg ik. ‘Ik ben twee weken geleden lid geworden van het kankerfonds, in de binnenstad.’ Ik liet haar de voucher zien waarop het bewijs stond. Dat ding houd ik altijd in m’n jaszak, zodat ik mensen terecht kan wijzen die me erop attenderen dat ik niet met kanker mag schelden. “Ik heb dat recht gekocht,” zeg ik dan. Ze aarzelde wat, het kankermeisje. ‘Nee, sorry. Ik kan me je niet voor de geest halen.’

Een veel grotere belediging bestaat er niet in mijn wereld. ‘Dus je weet serieus niet meer wie ik ben?’ vroeg ik voor de zekerheid. ‘Nee,’ verontschuldigde zij zich. Ik: ‘Maar ik ben donateur geworden!’ Ze legde een hand op mijn schouder. ‘Dat is heel goed van je.’ Meteen stak ze van wal. Ze hield een betoog over het Foster Parents Plan. Dat was me toch een fijn clubje, volgens de donkerblonde sjacheraar. Zij was een klassieke hoer van de bovenste plank, dacht ik. Ik kreeg de optie een kind te adopteren. Voor vijf euro per maand kon hij zijn zwarte reet afvegen met drielaags toiletpapier; kreeg hij tweedehands condooms opgestuurd om zijn vriendinnetje Nikita te poken zonder dat zij tienermoeder werd; werd hij in staat gesteld om een pijl en boog te kopen die hem de gelegenheid bood om de vijandige negers van het andere dorp te doden; zou hij de nieuwe homobar kunnen aandoen voor latente holtorafrikaantjes zoals hij – in die contreien is het nogal een taboe, hoor. Kortom, iedereen werd er beter van.

Ik keek naar het strakke lichaam van het kankermeisje en ik vond haar maar een slet. ‘Dus je werkt helemaal niet zo exclusief voor het kankerfonds, terwijl je de vorige keer met zoveel bezieling aan het werven was?’ Ze vertelde dat ze op de loonlijst stond van een bedrijf waarop goede doelen een beroep konden doen als ze wervingsacties hadden. ‘Als morgen scientology wil werven, ben ik van de partij.’ Jezus, dacht ik, dit wijf is echt een hoer. Maar volgens mij had ik dat al eerder gedacht. Dan weet u in ieder geval dat ik achter die visie sta. ‘Je krijgt zeker een bonus,’ filosofeerde ik, daarom ben je zo fanatiek.’ Ze moest blozen, heel even maar. Ze noemde een percentage op dat ik alweer vergeten ben. ‘Maar, ter zake, wil je ook een kind adopteren?’ ‘Ga je me dan weer niet bellen?’ vroeg ik heel ad rem. ‘Nee, deze keer bel ik je wel.’ Ik lachte. ‘Je moet oprotten, vieze oplichtster. Kutwijf.’ Ze droop verongelijkt af en zocht een collega op om het verhaal aan te vertellen. Ik bestudeerde het kankermeisje. Daar stond iemand die over lijken ging.