Het woord heeft hem gered

Mij kun je weinig slechte eigenschappen toedichten, of het moet gaan over verbale vunzigheden of grenzeloze dweepzucht. Ik weet dat die zaken spelen. Ik weet bijvoorbeeld dat ik meedogenloos ben als je in mijn bijzijn kritiek uit op Louis-Ferdinand Céline of Frank Boeijen. Ik ben een fan. Wat kan ik daaraan doen? Sinds kort heb ik een ziekelijke sympathie ontwikkeld voor Rodaan Al Galidi, een Irakese dichter en schrijver en asielzoeker uit Nederland. Ik zag een documentaire over zijn leven en raakte meteen in de ban van zijn werk en zijn woorden. Gisteren volgde de ontknoping.

Er stond een markt. Ik bewoog mij door het gekrioel van de ochtendmensen op weg naar de viskraam. Ik had nog steeds alcohol in mijn lichaam van een doorwaakte nacht in de binnenstad van Zwolle. Drinken deed ik niet meer. Bij dageraad was ik daarmee opgehouden. Ik gedroeg me nog wel als een dronkenman en sloeg met iedereen een praatje die daar maar eventjes geschikt voor leek. Ze moeten gezien hebben dat het niet goed met mij ging. En zo was het. Het ging niet goed met mij. Ik was moe. Maar bovenal had ik trek in een lekkerbekje.

Ik stond bij de viskraam en ik keek om me heen. Er was slechts één viskraam op de hele markt. Dat was vreemd. Er stond een rij van minstens dertig mensen en niemand week. Iedereen bleef ijzerenheinig wachten op een lekkerbekje of een portie kibbeling. Een duif landde bij de prullenbak om een stuk brood op te pikken, maar dat werd niet geduld door een grijze man die ook in de rij stond. Hij gooide zijn plastic bekertje met een bodem koffie rakelings op het hoofdje van het beest. De duif vloog weg. De verkoper van de straatkrant had geen boodschap aan de rij. Hij wurmde zich door de massa en eiste zo snel mogelijk een lekkerbekje met kruiden.

Dat kreeg hij.

De mensen begonnen op mijn zenuwen te werken, maar ik kon niet meer uit de massa. Ik was opgesloten. Veroordeeld tot vis. Tussen alle grijze en blonde haren, viel één kruin mij in het bijzonder op. Het waren de koolzwarte haren van Al Galidi die hij voor de gelegenheid in een degelijk staartje had gebonden. Een onbekende opwinding maakte zich meester van mij, zoals je dat bombastisch zou kunnen omschrijven. Met het nodige duw- en ellebogenwerk wist ik uiteindelijk naast hem te staan. Hij wachtte berustend op zijn beurt, zoals hij ook reeds zeven jaar wacht op zijn verblijfsvergunning. Ik zag de grijze haartjes opkomen in zijn lange zwarte lokken en noemde het de capitulatie voor een klein decennium stress.

Daar stond de man die liever met een Irakees paspoort naar de hel zou gaan, dan met een Nederlands paspoort naar de hemel. Zonder enige vorm van twijfel sprak ik hem aan en gaf hem een compliment voor de documentaire over zijn leven en natuurlijk voor zijn poëzie. Hij bedankte mij deemoedig en toonde interesse in mijn leven. Ik vertelde dat ik Turks ben, geboren, getogen en gevormd in Deventer en bijna afgestudeerd aan een Christelijke Hogeschool. Ik vertelde dat ik schrijver wilde worden en zo nu en dan wat publiceer. Hij gaf mij adviezen en beschreef zijn weg naar een uitgever. Twee liefhebbers hadden elkaar ontmoet, spraken passievol over de stiel en wachtten op hun vis.

De rij veranderde constant van gezichten,

maar wij bleven staan.

Hij vertelde summier zijn levensverhaal. Ik was natuurlijk al bekend met zijn leed, maar een persoonlijk relaas is indrukwekkender. De minuten verstreken. Hij zou een workshop in Zwolle geven, vond Herman Brusselmans een lieve man en werd nog steeds gepest door de IND. Al Galidi heeft tien titels in het Nederlands gepubliceerd, maar is nog steeds niet welkom in het land. Ik zag de strijd in zijn ogen. In die ogen zag ik ook mijn eigen armoede. Op vrijdagochtend stond ik dronken op een markt te praten over literatuur met een man die gekastijd wordt door een vilein lot en onbegrijpelijk vreemdelingenbeleid.

Wij bestelden afzonderlijk onze vis. Dat vond ik jammer. Ik had graag willen weten welke vis hij lekker vond. Ik hoopte op haring, het liefst met uitjes. Ik was Al Galidi kwijt. Hij was verdwenen in de massa. Het was geen afscheid. Ik at mijn lekkerbekje aan een tafeltje en keek om me heen. Pas toen ik aanstalten maakte om te vertrekken, dook hij weer op. Hij wilde mij nog de hand schudden voor hij vertrok. Güle Güle. Al Galidi pakte zijn aftandse fiets en liep ermee in de richting van de winkelstraat, met een hand nonchalant in zijn broekzak. Het woord heeft hem gered. Hij verdween en liet mij alleen met mezelf. En ik dacht weer aan mijn slechte eigenschappen.