Hongaarse hoerenlopers
Liep van de week zonder werkelijk doel rond in de binnenstad van Deventer toen ik drie luidruchtige mannen tegenkwam. Het was na middernacht, er was niemand op straat en er hing een stijve bries in de lucht. Ze spraken een taal waardoor het duidelijk werd dat ik met Slavische lieden had te doen. Voorop liep een iel mannetje in een beigekleurig overhemd. Hij was de pias van het gezelschap. Zijn vrienden, twee grote beren van het postuur uitsmijter, achtervolgden hem lijdzaam. Zij vertrouwden erop dat de dunne man zich succesvol van zijn taak zou kwijten. Het doel was namelijk helder: ze zochten de Bokkingshang. De hoeren.
Dat begreep ik toen de leider van de groep hevig gesticulerend mijn kant op kwam lopen, met in zijn kielzog de twee mastodonten. Nu moet u weten, en ik begrijp dat deze confessie een shock teweegbrengt, dat niets menselijks mij vreemd is, dat ik ook wel eens een straatroof vrees. Dus toen dat kleine mannetje mijn kant opliep, stond ik al klaar in de vechthouding… Nee, oké, dat lieg ik: ik zocht met een zijdelingse blik naar de snelste manier om mijn hielen te lichten, de beste route om Usain Bolt te imiteren. Alleen zou ik sprinten voor mijn leven, niet voor wereldrecords of een jackpot. Maar toen hij voor me stond, de dunne man, zakte hij even door zijn knieën, maakte schommelende bewegingen met zijn armen, alsof hij twee loeizware roeispanen in zijn hand hield, en riep: ‘fokki, fokki. Wor?’
Zijn vrienden lachten timide om de vraag die hij ongegeneerd durfde te stellen aan mij. Intussen hielden die logge boeren zich afzijdig, als doorgewinterde persoonsbeveiligers: ze waren er wel en ook een beetje niet. Maar het was dus een opluchting. Jongens, de hoeren! In alle eerlijkheid had ik tijdens mijn nachtelijke wandeling ook wel die kant op willen gaan, gewoon omdat het een ideale plek is voor spontane ontmoetingen, maar ook uiterst geschikt voor tijdverdrijf op momenten dat er niets anders te doen valt. Dus ik zei dat ik hen wel zou navigeren naar hun bestemming. Niet dat ze mij begrepen of zo, want ze spraken letterlijk geen woord Nederlands. Dus ik moest het ook met handgebaren doen. ‘Polska?’ vroeg ik onderweg aan de kleine. We liepen via de Gedempte Gracht en langs de Verzetslaan zo in de richting van de Bokkingshang. ‘No’, zei hij, ‘Hongar?’ Dat begreep ik.
Na een wandeling van vijf minuten bereikten we ons doel. De kleine vroeg iets onbegrijpelijks aan mij, wat ik interpreteerde als het verzoek om een rondleiding. Die gaf ik hem graag. Zijn makkers besloten kennelijk dat het beter was om post te vatten aan de overzijde van de peeskamers. Mijn nieuwe vriend passeerde de negerinnenhoek met rasse schreden en keurde hen geen blik waardig. Ik keek hem met een vragende blik aan. Hij maakte een wegwerpgebaar. ‘Bad.’ Hij had liever blanke meisjes. Toen hield hij halt bij een Pools of Hongaars meisje. Hij sprak tegen haar in zijn eigen taal, maar ze negeerde hem finaal. Ik wees op de cellulitis op haar been en sprak het woord ook uit. De hoer werd boos, trok de rechter teenslipper van haar voet, nam die in haar hand en kwam mij achterna. De kleine en ik renden snel door, naar de volgende kamers. Ze was kennelijk Hollands.
Nu vond hij iets van zijn gading bij een peeskamertje met een blonde stoot erin. Zo’n hoer van wie je denkt: als het geen hoer was, dan zou ik wel verkering met haar willen. Ze had een rode bikini aan en was zwaar opgemaakt. Hij praatte weer tegen haar in zijn eigen taal. Ook deze temeier negeerde de woorden van de Hongaar. Maar deze keer hield hij langer vol, met veel meer emoties. Wat schetste mijn verbazing? Na een minuut begon zij ook in die vreemde taal tegen hem aan te praten. Ze discussieerden. Fel. Het meisje moest zelfs huilen. Uiteindelijk trok hij de deur open en wierp zich naar binnen. Nog voor ik goed en wel doorhad wat er gebeurde, liepen de reuzen, die kennelijk alles aan de overzijde hadden gadegeslagen, mij praktisch omver. Ze gingen hun vriend achterna naar binnen.
Iemand sloot het gordijn. Er gingen veel scenario’s door mijn hoofd. Zouden ze het meisje aan het gangbangen zijn, daarbinnen? Of waren zij mannetjes van de pooier die haar onwelgevallige attitude wilde afstraffen door haar flink af te ranselen? Ik hield er halt. Bleef er wel twintig minuten zitten, zonder dat er iets gebeurde. Ik dacht zelfs nog aan de politie, of ik hen moest bellen. Tijdens die overpeinzingen ging opeens de deur weer open. Mijn oog viel allereerst op het meisje. Ze was gekleed in een lange, witte bontjas en de make-up was van haar gezicht gewassen. Ze had rode ogen. Ze liep tussen de twee beren richting De Brink. De kleine kwam als laatste van het stel naar buiten. Hij keek me aan en spuugde op de punt van mijn schoen. ‘Bad!’ Hij was teleurgesteld in mij. Ze liepen van me vandaan, maar de kleine kwam weer terug mijn richting op. ‘Oto?’ vroeg hij luid. Toen wees ik maar weer naar de Gedempte Gracht. Daar had ik mijn nieuwe vrienden immers ontmoet.