In de rechtbank

Zo nu en dan maak ik de gang naar de rechtbank om me te verkneukelen in andermans ongeluk. Vrijdagochtend nam ik het besluit om een aantal zittingen bij te wonen van mensen die bij de politierechter moesten verschijnen. Ik had een flesje Chaudfontaine mee, een vrij simpel schrijfblokje van de Bruna en een vers geslepen potlood dat ik eerder die week had gevonden in een tweedehands boek van De Slegte. Dat laatste is bijzonder, vind ik. Men speurt niet iedere dag een potlood op in een tweedehands boek van De Slegte.

De receptioniste, een kortgeknipte vrouw van in de veertig jaar, vertelde mij dat er een schorsing was. Ze zouden over een half uur hervatten. Ik nam met het geduld van Job plaats op een houten stoel en keek om me heen. Naast mij zat een man met schoenmaat zevenenveertig, althans dat zei hij nadat ik het vroeg. Ik was onder de indruk. Ik wilde iets van onderling begrip creëren door te zeggen dat ik hamertenen heb, maar daar reageerde hij niet op. Logisch, hij had schoenmaat zevenenveertig en ik schreefgegroeide tenen. Dan ben je van twee andere planeten.

De man had een paardenstaart en gedroeg zich zenuwachtig. Hij sloeg bladzijden van het tijdschrift Weekend na twee seconden bestuderen om. Zo snel kan niemand lezen, dat weet ik zeker. Ook niet in Weekend. Hij daalde in mijn achting. Tegen het hout van de receptie stond quasinonchalant een knul in een toga. Nieuwbakken advocaat, dat droop ervan af. Hij knikte mij amicaal toe. Ik zwaaide terug. ‘Mijnheer, is hier een asbak?’ vroeg ik hem. ‘Uh, nee… Dat is hier verboden,’ zei hij verward. ‘Dat komt goed uit. Ik rook toch niet.’

De goedlachse vrouw achter de receptie kreeg een seintje via de intercom. Ik verstond niet wat er werd gezegd. Op dat moment verscheen een jongen van mijn leeftijd in de wachtruimte. Ze verliet haar post en dirigeerde ons naar de grote zaal van de rechtbank, de receptioniste. Voor mij had ze speciale aandacht. De nieuwe jongen vroeg niets, die was daar wel vaker geweest. Ze wees op de vijftig lege stoelen in het gedeelte voor de bezoekers. ‘Hier mag jij zitten, probeer stil te zijn.’ De stoelen bevielen mij niet. ‘Ik ben van De Stentor,’ zei ik. Waarop ze me een plek toewees aan de perstafel. De receptioniste had haar roeping als ouvreuse gemist.

Nu zat ik dus in de zaal met een knul van mijn leeftijd, een man met schoenmaat zevenenveertig en een paardenstaart, een advocaat zonder cliënt en natuurlijk de rechter, vergezeld van een griffier en de officier van justitie. De show die mij te wachten stond kreeg ik helemaal gratis. Tel je zegeningen! De paardenstaart mocht eerst opdraven. Hij had gedronken. Nu is sec dat feit natuurlijk niet strafbaar, anders had ik onderwijl vijf keer levenslang gekregen, maar paardenstaart had er ook nog bij gereden in een auto. Slechts drie bodempjes whisky, naar eigen zeggen. Dat in combinatie met een streng dieet heeft hem de kop gekost, vond hij.

In mijn beleving staan drie bodempjes whisky gelijk aan één glas, dus de omslachtige beschrijving begreep ik niet zo. Ik vond hem een klootzak. Gelukkig dacht de rechter hetzelfde. Hij kreeg een boete van 900 euro en een ontzegging van acht maanden, ook omdat hij een recidivist was. Hij verliet vloekend de zaal, zonder gedag te zeggen. Daarom deed ik het wel. Dat vond hij niet leuk. Nu was het de beurt aan de jonge advocaat. Zijn cliënt was niet mee, zoals gezegd. Hij vroeg aan de rechter of hij derhalve op het beklaagdenbankje mocht zitten. Dat leverde hem hoongelach van de drie vrouwen voor hem op, want dat waren zij… vrouwen. Na een warrig verhaal over een man die riet verzamelde omdat hij niet kon metselen zonder rijbewijs, legde de rechter een boete op van 1100 euro met een voorwaardelijke rijontzegging van een half jaar. De advocaat was teleurgesteld. Ook hij verdween.

De jongen van mijn leeftijd keek mij lachend aan. Volgens de officier had hij dronken in een bestelbusje gereden. Op de vraag wat hij daarop had te zeggen, antwoordde hij vrij helder. ‘Dat klopt als een bus.’ Hij was een beginnend bestuurder en moest daarom extra op de gevaren worden gewezen. Hij zou een fikse straf krijgen, zei de rechter. Dat werd uiteindelijk 220 euro. Hij verliet lachend de zaal en ik bleef er in mijn eentje zitten. De rechter keek me aan en raakte in paniek. ‘Ik heb uw dossier hier niet zo bij me.’ Ik stond op en liep ook richting de uitgang van de zaal. ‘Dat maakt niet uit, mevrouw de rechter. Ik ben nuchter en onschuldig.’