Kattenkwaad (door Rianne Meijer)

Het was begonnen met de witte bessenstruik. De struik stond achter ons huis, aan het paadje dat de keurige drie-onder-een-kap-woningen in mijn straat scheidde van het troosteloze flatgebouw daarachter. Van mijn ouders moest ik bij de flat uit de buurt blijven. De bewoners waren heel ander volk dan de keurige burgers in de rest van het dorp. ‘Ordinaire en asociale mensen.’ Volgens mijn moeder tenminste.

Misschien hadden die waarschuwende woorden bij een braaf en oppassend kind wel het juiste effect gesorteerd, maar in mijn geval deden ze exact het omgekeerde. Ik was geen meisje voor jurken en knuffelbeesten. Barbies waren leuk om te scalperen en in de fik te steken, verder moest ik weinig van de hoogblonde poppen hebben.

In plaats daarvan maakte ik liever met mijn buurmeisje Wendy de buurt onveilig. We trokken belletje bij de hoogbejaarde vrouw om de hoek die altijd vreselijk begon te schelden wanneer ze in de gaten kreeg dat ze voor niets naar de voordeur was gesneld. We jatten aardbeien van een andere buurvrouw, die ons een maal – op heterdaad en met het vruchtvlees langs onze kin druipend – wist te betrappen. We tijgerden door de tuin van de vroeggrijze dame verderop, over wie werd gefluisterd dat ze een heks was, om stiekem door haar raam te kunnen kijken of ze soms een toverketel verborgen hield.

En we vochten. Zelden succesvol aangezien onze tegenstanders meestal jongens waren, maar daar lieten we ons amper door afremmen. ‘Kom ons maar halen,’ riepen we uitdagend naar de jongens uit de flat die zich woedend verzamelden onder de kastanjeboom waarin we ons hadden verschanst. ‘Jullie durven toch niet naar boven te klimmen, stelletje lafbekken. Oh, lukt het niet? Sukkels! Pak ons dan, pak ons dan, pak ons dan.’

Toegegeven: die dapperheid werd deels ingegeven door het feit dat we ons altijd beschermd wisten door Wendy’s oudere broers: twee boomlange knullen, jaren ouder dan wij en nooit te beroerd iemand voor ons op zijn bek te slaan. Zeker niet wanneer de verdachte een van onze gezamenlijke vijanden betrof: de jongens uit de flat die zich, net als wij, hadden verenigd in een bende.

Verzekerd van de steun van de broers werden Wendy en ik steeds uitdagender in onze pesterijen. Vanaf de hoek van de straat scholden we onze nemesissen uit voor alles wat mooi en lelijk was om, als ze uiteindelijk toch weer hun geduld verloren, schaterlachend naar huis te rennen. En toen vonden we de witte bessenstruik.

Hoe hij daar ineens was gekomen, wisten we niet precies. Voor ons gevoel was de struik zomaar op een dag verschenen, de takken zwaar buigend onder het gewicht van honderden spierwitte besjes. We ontdekten al snel dat er geen lekkerder gevoel was dan die besjes tussen je nagels uit elkaar te laten spatten. Daarbij pasten ze precies in de blaaspijp die Wendy’s oudste broer – de zachtaardige van de twee – ons eerder die week cadeau had gedaan.

Die ontdekking betekende definitief oorlog tussen de straat- en de flatbewoners. Voor onze rivalen, toch al tot op het bot vernederd door het getreiter van twee meisjes die een kop kleiner waren dan zij, vormden de besjesaanvallen waarmee ze nu werden bestookt de genadeklap. Vloekend trokken ze zich terug aan de achterkant van hun gebouw, achtervolgd door ons hoongelach. ‘Wacht maar, we krijgen jullie nog wel,’ riep Jerry ons nog toe vanuit de verte, ondertussen wild zwaaiend met zijn vuist.

Jerry was de leider van de bende: een hoog opgeschoten knul met stekeltjeshaar die door zijn leeftijdsgenoten werd behandeld of hij God was. Wij waren stiekem verliefd op Jerry, maar gingen nog liever dood dan dat aan iemand op te biechten. Bovendien: als we ons ooit te dicht in zijn buurt waagden, was de kans groter dat hij ons een oplawaai zou verkopen dan zou zoenen. Dus beschoten we hem het meest. Op die manier waren we in ieder geval verzekerd van zijn aandacht.

‘Wat zou hij daarmee bedoelen?’, vroeg ik aan Wendy toen de knapen eindelijk uit zicht waren verdwenen. ‘Geen idee,’ zei ze. ‘Alsof het ze ooit zal lukken ons te vangen. Zag je Mo? Volgens mij heeft die alweer een dikkere reet gekregen.’ Daarna liepen we giechelend naar huis. Met de aftocht van de jongens was er op straat niets meer te beleven: misschien konden we wat waspoeder pikken en smurfensnot maken.

Het antwoord op mijn vraag kwam de volgende middag alsnog, toen ik met Wendy aan mijn zij in de achtertuin op zoek ging naar wormen. Eigenlijk vonden we dat smerige beesten, met hun vaalgrijze, glibberige lijven. Maar we hadden die middag op school gehoord dat de slijmerige sliertjes gewoon verder leefden wanneer ze met een keukenmes doormidden werden gekliefd. Dat moesten we natuurlijk verder onderzoeken.

Maar net op het moment dat ik met mijn schep, gestolen uit de schuur van mijn ouders, een drietal extra vette exemplaren uit de aarde opdiepte, hoorde ik Wendy een geschokt gilletje slaken. Direct draaide ik me om en keek naar haar nu spierwitte gezicht. ‘Wat is er?’, vroeg ik terwijl ze op de grond ging zitten en met beide handen haar linkerbeen vastgreep. ‘Er zit iets in mijn voet,’ steunde ze moeizaam. ‘Kan jij even kijken?’

Er zat inderdaad iets in haar voet. Een roestige spijker, om precies te zijn, die dwars door de zool van haar gymp was geschoten en daarna het zachte vlees van haar voetzool had doorboord. Toen ik om me heenkeek, zag ik dat er op meerdere plaatsen ijzer opflikkerde tussen de omgewoelde aarde. ‘Dat hebben die hufters natuurlijk gedaan.’ Nu was ik kwaad. ‘Wat een eikels!’ Ik hielp Wendy overeind. ‘We pakken ze terug, maak je maar geen zorgen. Doet het erg pijn?’ Mijn buurmeisje verbeet ondertussen dapper haar tranen. ‘Valt wel mee,’ zei ze schouderophalend. ‘Ik vraag wel even of mijn moeder me naar de dokter brengt. Spreken we morgen na schooltijd af bij de appelboom?’

Er bleken twee hechtingen en een tetanusprik nodig, maar toen ik de volgende dag om drie uur de tuin inliep, zat Wendy al in de boom op me te wachten. Het verband dat ze in het ziekenhuis om haar voet hadden gebonden was nu al besmeurd met viezigheid. ‘Ze zijn in het plantsoen,’ fluisterde ze samenzweerderig naar me terwijl ik naar boven klom. ‘Mooi,’ antwoordde ik en ging op de tak naast haar zitten. Zwijgend begonnen we vervolgens onrijpe appels van de boom te plukken. ‘Heb je genoeg denk je?’, vroeg ik toen ik ongeveer twintig vruchten in mijn schoot had verzameld. ‘Ik ben er klaar voor,’ antwoordde Wendy. Daarna telden we samen af.

‘Drie, twee, een.’ Als groene kanonskogels vlogen de appels het plantsoen in. Mo kregen we als eerste te pakken. Twee van de stukken fruit troffen hem halverwege zijn borst. Daarna raakte ik Stanley, een broodmagere Surinamer met een ziekenfondsbrilletje, vol in zijn gezicht. Tot slot wist Wendy ook nog Jerry te treffen: in zijn maag, zodat hij dubbel klapte en even naar adem stond te happen. De ultieme vernedering. Opgetogen gaven wij elkaar een highfive. Dat onze vijanden wederom wraak zwoeren, deden we schouderophalend af. Voorlopig was het gewoon 2-1 voor de meisjes.

Het grootste nadeel van de oorlog die nu in de buurt was uitgebroken, was het feit dat het daardoor bijna onmogelijk werd alleen over straat te lopen. Zonder het gezelschap van mijn bondgenoten was ik kwetsbaar, daar was ik me terdege van bewust. Dus toen mijn moeder me op woensdagmiddag vroeg even voor haar naar de bakker te lopen, stribbelde ik aanvankelijk nogal tegen.

‘Maar ik moet mijn huiswerk nog maken,’ stampvoette ik. Dat was gelogen: we kregen zelden werk mee. Maar mijn ouders waren vooralsnog niet op de hoogte van mijn buitenschoolse vechtactiviteiten en het leek me beter dat zo te houden. Dus gaf ik uiteindelijk zuchtend toe en haastte me, twee gulden stevig in mijn rechterhand geklemd, naar de bakker voor een zak krentenbollen.

Onderweg keek ik constant wantrouwend om me heen. Zag ik daar nou Stanley wegschieten achter een bosje? En daar, in die autospiegel, was dat de reflectie van Mo die zijn vette lijf achter zijn vaders Opel Astra had gevouwen? Licht hijgend van alle inspanningen kwam ik uiteindelijk aan bij de bakker. ‘Lust jij misschien een koekje?’, vroeg het meisje achter de toonbank toen ik aan de beurt was. ‘Graag mevrouw,’ antwoordde ik met mijn meest engelachtige glimlach.

Het leverde me een tweede sprits op. Met het brood onder mijn arm vertrok ik tevreden weer naar huis. De dreiging van mijn opponenten was even vergeten. Totdat ik ineens een koude hand in mijn nek voelde. Voor ik in de gaten had wat er gebeurde, werd mijn linkerarm hardhandig op mijn rug gedraaid. De vijand. Ze hadden me gevonden.

Zonder de rest van mijn groepje kon ik weinig uitrichten tegen het drietal dat me nu gevangen had genomen. ‘Nu ben je niet meer zo stoer, hè?, zei Jerry terwijl hij iets uit zijn zak haalde. ‘Wat gaan jullie doen?’, vroeg ik, zorgvuldig mijn angst verbergend. Jerry negeerde me. ‘Houden jullie haar rechterarm eens stil,’ sommeerde hij zijn volgelingen. Ik voelde iets kouds tegen mijn pols. Een vergrootglas. ‘Wist jij dat je hiermee brandwonden kan maken?’ Nu praatte Jerry wel tegen mij. ‘Het is eigenlijk heel simpel: we hoeven alleen maar het zonlicht op je huid te laten weerkaatsen. Tof toch?’ Met een vette glimlach keek hij me aan. Ik staarde terug, mijn blik zo neutraal mogelijk.

‘Wat denken jullie dat jullie aan het doen zijn?’ De snerpende stem van de heks-buurvrouw. Als door een wesp gestoken lieten Mo en Stanley me los en renden achter Jerry aan richting de flat. Ik bleef even beduusd staan en holde daarna de andere kant op. Pas toen ik veilig in mijn eigen straat was, durfde ik de schade te inspecteren. Een lichtrode vlek tekende zich af op mijn pols. De krentenbollen was ik onderweg verloren, dat zou me nog wel op een flinke reprimande komen te staan. Daarmee hadden de jongens zich op magistrale wijze gerevancheerd, dat moest zelfs ik toegeven. Nu stond het 2-2.

‘Klootzakken,’ mompelde ik en slofte verder naar huis.

Rianne Meijer werkt momenteel aan haar autobiografische debuutroman De Ana files die dit najaar verschijnt bij uitgeverij Prometheus. Daarnaast is zij chef redactie van mode.dejaap.nl.