Kraamvisite

Mijn moeder kwam op kraamvisite.

Het was de eerste keer dat wij elkaar zagen sinds Turis in de boekhandels ligt, een roman die voor een groot deel over haar gaat en waarin zij niet wordt gespaard. Ik sloop met mijn moeder naar het bedje van Mia, die pruttelend en zuchtend onder de dekens lag, onbevreesd voor de nieuwe bezoeker – oma. Ze boog over de spijlen van het bed.

‘Wat is ze mooi,’ constateerde mijn moeder. ‘Ze lijkt op mij.’

‘Ik hoop alleen van de buitenkant,’ fluisterde ik terug.

We verlieten de slaapkamer van Mia en gingen op de grote bank voor de televisie zitten. De kraamhulp werkte aan de eetkamertafel haar dossiers bij, een compleet boekwerk waarin de lichaamstemperatuur, ontlasting en slaapcyclus van de baby werd genoteerd.

‘Ik heb iets voor Gizem meegenomen,’ zei mijn moeder.

‘Ze heet Mia,’ antwoordde ik. ‘Dat is haar roepnaam.’

‘Maar die kan ik niet uitspreken. Ik noem haar gewoon Gizem.’ Ze stond op en liep naar de gang, waar ze bij binnenkomst een plastic tasje had neergegooid, in alle haast om haar kleindochter te kunnen zien.

‘Wat is het?’ vroeg ik voor ze bank weer had bereikt.

‘Kleding. Ze hielden opruiming bij die ene winkel in de Smedenstraat.’ Ik zag meteen dat de dikke winterkleding Mia pas in de zomer zou passen, maar ik zei er niets van.

‘Dank je wel. Hoe is het met je man?’

‘Ach, je vader. Je kent hem, toch? Alles gaat langs hem heen. Hij weet niet van Gizem. Hij heeft niet eens door dat ik stapels babykleding voor haar aan het breien ben.’

‘Dat verbaast me inderdaad niet.’

‘En hij weet ook niet dat een poster met zijn foto overal in Nederland in boekhandels hangt. Sterker nog, hij weet niks van je tweede roman. Het interesseert hem niet.

‘Maar jij weet het wel…’

‘Ik weet het wel,’ antwoordde ze. ‘Maar het kan me allemaal niets schelen. Ik kan het toch niet lezen. Ik ben hier voor mijn kleindochter Gizem.’

‘Mia,’ corrigeerde ik.

‘Ja, je weet best wie ik bedoel.’