Krantenbezorger

… ging beneden de bel. Het was oudejaarsavond. Op dat moment stond ik in de keuken, niet in mijn eigen huis, maar bij mijn vriendin in Amsterdam. Zij was aan het douchen. Wat te doen? Ik legde het mes op de snijplank, liep naar de video-intercom en zag een grote neger op het scherm.

Ik ken mijn vriendin best goed, evenals haar vriendengroep, maar deze jongen had ik nog niet eerder gezien, dat was niet aan twijfel onderhevig. Ik drukte op de rode knop, zonder verdere navraag, en wandelde terug naar de keuken. Hij zou vanzelf wel de trap op lopen, dan werd de reden van zijn bezoek duidelijk.

Het huis zonder gordijnen was ondertussen een soort discotheek geworden; de ene lichtflits loste de andere af, aan weerszijden van het gebouw. De kinderen in de buurt hielden van vuurwerk. Ik had ook een kleine voorraad gekocht, of ja, iets meer dan dat; vijftien grote sierpakketten, die ik de dag ervoor samen met een vriend in Bad Bentheim ophaalde – we blijven jochies.

Ik drukte het mes in een rode kool, niet helemaal relax, maar eerder onrustig in afwachting van die zwarte jongen. Het duurde nu al zeker drie of vier minuten, veel te lang naar mijn smaak. Ik was dodelijk nieuwsgierig. Hij hoefde maar vier trappen omhoog.

Dat waren er toch niet veel?

Hij klopte op de deur. De bezoeker stond nu op de voetmat. Boven klonk het geluid van stromend water, mijn vriendin douchte nog steeds. Ik trok de deur open, voor zover dat kon met al dat vuurwerk in de gang. Hij keek me ernstig aan. Hij hield een tas vast met een groot logo van Nike erop. De ritssluiting was kapot.

‘Gelukkig nieuwjaar,’ klonk het schor uit zijn keel. Daarna stak-ie zijn hand uit. Niet om die van mij te schudden, maar met de palm omhoog, zoals bedelaars in de straten van Istanbul.

‘Jij ook, vriend.’ Er volgde een stilte. ‘Wat nu?’ vroeg ik.

‘Ik ben de bezorger van de Volkskrant.’

‘O, je wilt natuurlijk wat geld. Maar ben je niet te laat – waar is je kerstkaart?’ In het verleden was ik ook een krantenjongen. Ik begreep meteen dat hij een bonus wilde, voelde solidariteit, dit waren de meeste lucratieve dagen van het jaar voor het gilde.

Hij stak zijn hand in de tas en toverde een zwart kaartje tevoorschijn. Ik nam het over en bestudeerde de tekst. Philippe Remarque wenste mij een gelukkig 2014. Ik heb hem ooit ontmoet. Volgens mij is hij een puike kerel. Ik zocht geld in mijn broekzak, voelde wat biljetten en trok die eruit. Drie keer twintig euro.

De ogen van de bezorger sprongen in een keer wagenwijd open. Ik was vroeger al gelukkig met een briefje van vijf gulden, deze gozer hengelde naar tien keer zoveel geld – de tijden zijn veranderd. Ik gebaarde dat hij een moment moest wachten, liep het huis in, zag de portemonnee van mijn vriendin liggen, maakte die open en constateerde dat zij ook geen muntgeld had.

Wat nu?

‘Kan je morgen terugkomen?’ Hij morde wat in een voor mij onbekende taal, daarna keek hij naar het vuurwerk in de gang.

‘Morgen is alles gesloten,’ klonk zijn antwoord. Dat was onjuist, want de meeste snackbars hebben een mooie omzet op 1 januari, weet ik van een vriend die een cafetaria runt.

‘Later deze week misschien?’ vroeg ik. ‘Je bent hier toch elke ochtend.’

Hij vond het niet grappig. Hij keek weer naar het vuurwerk. Volgens mij vond-ie dat wél gaaf.

‘Wil je anders een mooi pakket meenemen?’ De krantenbezorger zakte door zijn knieën, zonder enige aarzeling, pakte het grootste pakket en lachte voor het eerst sinds onze ontmoeting.

‘Gelukkig nieuwjaar,’ riep hij. Daarna zoefde hij de trap af.

Ik sloot de deur, legde het kaartje op de eettafel en liep naar de keuken, daar hervatte ik mijn snijwerkzaamheden. Het mes was bot, de rode kool stevig. Mijn vriendin kwam naar beneden. Ze droeg een handdoek om haar hoofd. We gaven elkaar een kus. Het kaartje op de tafel viel haar op.

‘Huh, hoe kom je daar nu aan?’

‘Van de bezorger,’ antwoordde ik.

‘Heb je hem geld gegeven?’

‘En niet zo’n klein beetje ook.’

‘Hoeveel dan?’

‘Uh, een vuurwerkpakket ter waarde van vijftig euro.’