La persistencia de la memoría
Hij slaakte een diepe zucht en ging zitten op de stoeprand voor haar deur. Niemand gaf gehoor. De nacht leek onverhoeds uit te draaien op een sof. Hij plaatste beide voeten plat op de straat en boog zijn hoofd tussen zijn knieën. Zijn smart was niet te cultiveren. In flitsend tempo passeerden de gezichten van enkele meisjes zijn netvlies.
Hij leed aan zijn herinneringen. Dikwijls, eigenlijk altijd, was hijzelf debet aan het noodlot dat hem onbedaarlijk achtervolgde. ‘Door eenzaamheid noem je ze verdwenen geluk, maar toen dat geluk me beroerde, was het niets meer dan een hinderlijke praatmachine. Het geluk is schrijnend; het toont enkel zijn ware gezicht als het bij de ander is’, dacht hij.
Het was omstreeks 06.00 uur, maar nog steeds aardedonker. In de verte klonken geluiden, roedels uitgaanspubliek verlieten de binnenstad en zochten hun weg naar huis. Het liet hem onbewogen. ‘Aan mijn potentie mankeert niets’, dacht hij. ‘Dit had een heuglijke nacht kunnen worden. De alcohol in mijn lijf, de onthouding van ruim twee maanden – zij het noodgedwongen – en het tergende verlangen naar haar strakke lijf; de bronst viert haar hoogtij, ze had hier moeten zijn, de temeier.’ Zijn mond was inmiddels kurkdroog. Hij was niet meer zo laveloos als twee uren geleden, maar lucide was hij ook niet. Soms leek het of de geparkeerde auto’s in beweging kwamen, alsof de bomen hem aanstaarden, maar wanneer hij hevig knipperde met zijn ogen bleken die beelden een begoocheling te zijn, de magie van alcohol.
Hij stond op en klopte weer op haar deur. De lucht voelde koud en nat aan, de deuren van de winkels waren gesloten en er hing een geur van gebakken brood, toen hij zich weer laconiek richting de stoep bewoog. Hij stortte zich plomp neer op de rand van het trottoir, bezeerde zich enigszins en verzonk weer in gedachten. Hij zat er verfomfaaid bij. Er was geen beweging in de omgeving. Dromend zwierf hij langs onwelgevallige herinneringen, hij sprak luidop met zichzelf, lachte even, sloeg op zijn wang door toedoen van het zelfbeklag dat onvermurwbaar maalde door zijn hoofd, tot hij werd overmeesterd door een waanbeeld. Hij dacht haar te zien. Hij stak zijn hand uit, wilde haar vastpakken, maar ze was opeens weg.
Zijn trots zonk tot het laagst denkbare peil toen hij zijn situatie analyseerde. Ze was alles behalve zijn ideale vrouw; ze was het type vrouw dat hij verachtte, te min beoordeelde voor hem en alles wat hij te bieden had. Toch bleef de begeerte naar haar lichaam hem in zijn greep houden, hij was een slaaf van zijn lusten geworden en bleef met ijdele hoop, met serviel geduld, wachten tot ze open zou doen.
Bij haar voelde hij zich oppermachtig en onbezwaard. Zijn agressieve uitspattingen, onredelijke gedrag en beklemmende dominantie leken geen obstakel te vormen voor de maandelijkse intimiteit tussen beiden. Zij was een dame van hoger milieu en was niet op haar achterhoofd gevallen, maar ze kende de hiërarchie in hun verstandhouding; ze had zich verzoend met zijn nukken, zijn barokke levenstijl, ze verzette zich niet langer tegen de onmogelijkheid van zijn karakter.
Ze had een arisch uiterlijk, was voluptueus en gezegend met pronte borsten. Ze zou over een jaar afstuderen aan de Universiteit van Amsterdam. Vooral dat laatste trok hem erg aan; het werkte versterkend op zijn libido, het idee dat hij zo’n meisje volledig in zijn macht had. Hij spuwde nog een keer op de grond. Er gebeurde nog steeds niets, geen teken van leven.
Onmacht speelde hem parten. Als hij maar even dacht aan wat hij misliep, aan het doemscenario van de nacht die hij eerder zoveel anders, zoveel beter had behoopt te eindigen, groeide een immense woede in hem op. Hij stond weer op en liep richting haar deur. Hij weifelde even. ‘Wat ben ik aan het doen?’ vroeg hij zich prevelend af. Hij belde desondanks aan en bleef heetgebakerd staren naar de deur. Er gebeurde niets. Hij belde weer aan, schopte en sloeg tegen de deur, maar niemand deed open. Hij zakte door zijn knieën, boog zijn hoofd voorover en zuchtte heel diep. Niemand deed open.