Leed in de bus
Over buschauffeurs is in het afgelopen jaar veel gezegd en nog meer geschreven. Een baan als buschauffeur is tegenwoordig geen sinecure, dunkt me. Het risico om gemolesteerd te worden hangt als het zwaard van Damocles boven je hoofd. Het schijnt een trend te zijn binnen de samenleving, medewerkers van Arriva en Connexxion fysiek en verbaal belagen. Eerlijk gezegd was ik in de veronderstelling dat deze ontwikkeling door media overdreven werd. Tot gistermiddag. Toen moest ik in Zwolle-Zuid zijn om een pakketje op te halen in het postkantoor. Er was voor mij op dat moment maar een mogelijkheid om daar te geraken. Ik nam de bus.
Ik stapte op ter hoogte van de Diasporalaan, een kleurloze plek in de wijk Schelle. De bus was leeg, althans: dat dacht ik bij de eerste stappen die ik richting de buschauffeur had gezet. Hij was een kale man van ver in de vijftig. Langs zijn rechterslaap liep een lang spoor van twee weerbarstige zweetdruppels. Bestemming onbekend. De transpiratie onder zijn oksels werd pijnlijk beklemtoond door de lichtblauwe kleur van zijn overhemd. Hij keek mij niet aan toen ik naast hem stond, zijn ogen waren gericht op de spiegel, waarop hij de jongens die op de achterste banken van de bus zaten in de gaten hield. Het was een groepje van vier Nederlandse jongens dat het woord kanker opvallend vaak bezigde. Daarbij luisterden de jongens naar hiphop via hun telefoon, uiteraard via de speakers.
De eerstvolgende drie haltes stopte de bus – in mijn beleving – zonder reden. Er stapte niemand in, maar er stapte ook niemand uit. Ik zat op de vierzitter pal achter de chauffeur en zag hem iedere keer in de spiegel kijken na iedere stop. Toen de bus een vierde keer voor niets moest stoppen bij een halte, hoorde ik opeens dat de deur naast de chauffeur werd ontgrendeld. Hij talmde even. Ik had niet het idee dat hij helemaal naar achteren zou lopen. Dat deed hij ook niet. De chauffeur keek me aan en vond dat ik er wel uitzag als iemand op wie je kunt bouwen. Hij bleef naast mij staan en schreeuwde de jongens kranig toe dat ze niet op de knoppen moesten drukken als ze niet uit de bus wilden.
De muziek werd uitgezet. Ik deed een duit in de zak en draaide mij half om, om een van mijn befaamde blikken te werpen op de jongens. Dat heb ik geleerd van Herman Brusselmans. Het werkte. Eén van de jongens zei sorry, geveinsd of niet, de muziek ging weer aan en de buschauffeur sjokte terug naar zijn zetel. Voor hij ging zetten, kreeg ik een knipoog. De stille broederschap was gesticht. Bij de halte Otterveld hoefde de bus inderdaad niet te stoppen. Van Leeuwtemarke en Heerkensmarke gingen ook goed. Bij de Patriottenlaan begon het rode lampje weer te branden. Stop! Ik draaide me om en bestudeerde de jongens. Een heldhaftige bui nam bezit van mij. Als deze jongens nu niet zouden uitstappen, dan zou ik ze op hun falie geven. Dat stond buiten kijf.
Helaas voor mij en gelukkig voor de jongens bewoog het viertal zich naar voren. Ze hielden geen halt bij de achterste deur, maar kwamen helemaal naar de voordeur gelopen. De buschauffeur wierp een verwijtende blik op hen, zij het heel snel en vrij timide. ‘Mijnheer, mag ik de hele dag met dit kaartje reizen?’ Vroeg één van de knapen. Terwijl de bus verder reed, bijna op zijn bestemming, dacht de chauffeur na. ‘Ja, alleen vandaag en morgen. Het zijn speciale kaartjes.’ De jongen keek hem erkentelijk aan en deed een stap naar achter. ‘Mijnheer, is mijn kaartje ook de hele dag geldig?’ vroeg een tweede knaap, een jongen met een veel te grote zonnebril op zijn kop. De chauffeur gaf hetzelfde antwoord. Ik voelde de bui al hangen toen ook een derde jongen met dezelfde vraag op de proppen kwam.
De bus stond stil bij de halte aan de Patriottenlaan en de deur ging open. ‘Mijnheer, is mijn kaartje ook de hele dag geldig?’ De buschauffeur slaakte een diepe zucht en verzamelde tegelijkertijd al zijn moed. ‘En nu opdonderen uit mijn bus!’ Drie jongens sprongen eruit. De vierde bleef nog even staan. ‘Doe maar rustig hoor, kale kankerlijer.’ Hij lanceerde een fluim uit zijn bek waarvan ik niet weet of hij zijn doel bereikte. De vierde jongen sprong ook uit de bus en toonde eenmaal buiten als toegift zijn middelvinger aan de chauffeur. Toen speelde mijn bui weer op. Ik sprong uit mijn zetel en trok een sprint de bus uit. De jongens vlogen alle kanten op, alsof ze dat van tevoren hadden afgesproken, zoals ik dat vroeger ook deed met mijn vriendjes. Bij terugkomst in de bus hoorde ik de kale man weer diep zuchten. ‘Ah ja, je went er vanzelf aan.’ Bij de volgende halte moest ik uit de bus. Echt waar.