Lekker invechten

Mark Rutte is naar eigen zeggen premier van alle Nederlanders. In die hoedanigheid gaf hij vorige week, een aantal dagen voor de verkiezingen, een interview aan het gratis dagblad Metro, waarin hij meerdere scherpe uitspraken deed. Een van de onderwerpen was discriminatie op de arbeidsmarkt, daarover liet hij optekenen: ‘Ik heb daarover nagedacht en ben tot de conclusie gekomen dat ik dit niet kan oplossen. Nieuwkomers hebben altijd te maken gehad met vooroordelen en discriminatie. Je moet je invechten.’

Dat is een bijzondere tip van onze minister-president. Ik heb hem namelijk een keer in de praktijk uitgevoerd. Een portier wilde mij drie jaar geleden op basis van mijn uiterlijk niet in een kroeg laten, daarom heb ik die klerenkast neergeslagen – ik wilde me er letterlijk invechten – maar dat zorgde ervoor dat ik door de politie werd opgepakt, en nog later kreeg ik van de rechter een taakstraf wegens mishandeling, ook al begreep hij mijn frustraties.

De linkse goegemeente viel de afgelopen dagen over Mark Rutte, die een serieus probleem onderkent, het in een interview te berde brengt, maar machteloos vanaf de zijlijn wil toekijken, daar hij niet gelooft dat hij de wereld mooier kan maken. In zekere zin heeft hij natuurlijk gelijk: een regeringsleider kan voor bewustwording zorgen, middels beleid en campagnes, maar of hij ook écht de mentaliteit van racisten kan veranderen, is maar de vraag. Deze apathische houding spreekt in elk geval niet in zijn voordeel. Hij moest het eerst veroordelen en misschien zelf sancties verzinnen voor werkgevers die sollicitanten discrimineren, bijvoorbeeld door ze op een zwarte lijst te plaatsen, waardoor ze minder belastingvoordelen en subsidies ontvangen dan andere bedrijven.

Maar aan de andere kant heeft hij wel een punt als hij suggereert dat de oplossing van het probleem óók bij de benadeelden ligt. Er zijn migrantenjongeren die zich gewillig in een slachtofferrol onderdompelen, iedere mogelijkheid aangrijpen om te roepen dat ze stelselmatig worden tegengewerkt en zich daardoor berusten in het lot van verschoppeling. Goed, de racisten bestaan, en inderdaad: ze zijn vooringenomen en oneerlijk, maar dat betekent niet dat we ons zomaar bij hun aanwezigheid moeten neerleggen.

Ik heb zelf altijd de digitale schandpaal een uiterst effectieve middel gevonden. Als een allochtone sollicitant bewijzen heeft van uitsluiting op basis van afkomst, dan moet hij hier melding van maken, bijvoorbeeld op een website, ondersteund door bewijs, zodat de hele wereld kan zien op welke manier bepaalde kantoren zaken doen.
De meeste werkgevers zijn als de dood voor slechte marketing.
Het is triest dat het nodig is, maar we leven in een maatschappij waarin vreemdelingenhaat steeds meer terrein wint.

Nederlanders met (voor)ouders uit Turkije, Marokko of Suriname moeten zich meer bewijzen dan anderen. In feite hebben deze daarmee pech, want voor deze generatie is een opvoedkundige rol weggelegd. Zij moeten harder knokken voor stages en banen waarvoor ze waarschijnlijk meer geschikt zijn dan de concurrent, en daarnaast hebben ze de ondankbare taak om te laten zien dat niet iedereen met een kleur voor overlast zorgt.

Het zou zeker werken als de overheid en werkgevers hierbij een handje hielpen, maar de uitspraak van onze premier heeft wel bewezen dat we niet op hem hoeven te rekenen. Hij is druk bezig om van zijn partij een soort PVV-light te maken, de strijd op rechts is in volle gang, en daarbij wordt niets geschuwd, ook niet uitspraak waarmee je een grote groep burgers in het land het gevoel geeft dat ze aan hun lot zijn overgeleverd en het zelf moeten oplossen.

Prima, als de minister-president zegt dat de mensen het zelf mogen aanpakken, overigens een vrij liberale opvatting, dan moet dat advies ook worden gevolgd. Het is vrij eenvoudig om anderen op hun onnozelheid te wijzen, dan doel ik op Rutte en alle bedrijven die discrimineren, maar het is een nog grotere uitdaging om hen het tegendeel te bewijzen. Laat die migrantenjongeren zich maar invechten. Figuurlijk. Bewijs maar hun ongelijk.

 

(deze column verscheen eerder in Nieuwe Revu)