Loubna (door Hassnae Bouazza)
‘Wat doet een mooie vrouw zoals jij alleen’. Ik kijk rechts van me en zie een licht bezweet voorhoofd en een mond met vlezige, natte lippen die me al te gretig aankijken. Ik besluit het mansgeval te negeren en nog een sip van mijn mojito te nemen. Vrijdagavonden zijn altijd raak. De kantoorpikken verdrinken en verschreeuwen hun frustraties om bewusteloos het weekend door te komen voor ze maandagochtend weer de schoenen van hun baas schoon moeten likken om de hypotheek te kunnen blijven betalen. Slaven zijn het. Slaven van hun werk, slaven van hun saaie burgervrouwen en vooral slaven van zichzelf en hun oervervelende leven. Te laf om eruit te stappen. Zichzelf volgieten is hun enige ontspanning. En de terloopse wip -als ze geluk hebben.
Soms zit er wat bruikbaars tussen, maar meestal zijn het van die brallerige kerels met een te grote mond die je zo snel mogelijk weer je bed uit moet schoppen.
Neem nu deze lipmans naast me. Op een afstandje staan zijn collega’s te hijsen terwijl ze zwetend toekijken of hij gaat scoren. Ik kijk hem nog eens aan. Hij heeft meeëters op zijn neus die door het zweet en het felle licht aan de bar nog meer opvallen. ‘Ja?’ vraag ik hem. ‘Mag ik je een drankje aanbieden?’ Ik blijf hem stil aankijken. ‘Nou, het komt niet vaak voor dat zo’n opvallende verschijning alleen zit, dus ik dacht, misschien heb je wel zin in gezelschap’ antwoordt hij op mijn vraag waarom hij mij een drankje zou willen aanbieden.
‘Opvallende verschijning? Wat is er zo opvallend aan mijn verschijning?’ Nu begint Lipmans te aarzelen. Het is altijd leuk het moment af te wachten dat mensen in de voorfase van irritatie of wanhoop belanden. Bij de een gaat het wat sneller dan de ander. Lipmans hier is een beetje onzeker. Ik weet niet of dat door de meeëters komt, door de liters bier die hij al achter z’n mik heeft, of omdat het gewoon een kantoorveeg is die sowieso niet al te veel te melden heeft en zich nu in een hoek geluld weet waar hij zich helemaal niet wil bevinden, omdat hij het geestelijk simpelweg niet aankan.
‘Wil je met me mee? Is dat het? Wat dan moet je het gewoon zeggen, hoor.’ Lipmans kijkt me nu met zijn mond open aan. ‘Zeg het maar, wat wil je?’ Beteuterd druipt Lipmans af naar zijn vrienden met zijn biertje in zijn handen. Ik hoor nog iets dat als ‘laat maar’ klinkt, voor ik zie hoe zijn maten hem troostende schouderklopjes geven en het glas heffen.
Als ik even later mijn glas leeg drink en richting de uitgang loop, ga ik nog even langs bij Lipmans: ‘als je bals genoeg was ja te antwoorden, had ik je voor een nachtje verlost van je ellendige bestaan’ fluister ik hem in z’n oor voor ik richting de uitgang loop.
Niks erger dan gemiste kansen voor kerels wier hele leven een gemiste kans is.