‘meisje die’

Terwijl de debatten over onze identiteit almaar aanzwellen, valt me op dat we juist op taalkundig niveau onzorgvuldig omgaan met onze herkomst. De klassieke grammatica heeft het moeilijk. Wie in het openbaar correct Nederlands spreekt, trekt tegenwoordig mijn aandacht, omdat ik weet dat die persoon een witte raaf is.

Het meest schrijnende voorbeeld is het aantal mensen dat ‘een meisje die’ zegt.

Deze constructie lijkt langzamerhand volledig geaccepteerd. Ik ben eens gaan opletten: de foute verwijzing komt in alle lagen van de samenleving voor, van bouwvakkers tot wetenschappers, ze doen het vaker niet dan wel goed.

Als ervaren taalnazi weet ik inmiddels dat mensen behoorlijk beledigd zijn als je ze corrigeert, bijvoorbeeld tijdens een speech op hun verjaardag, of terwijl ze een dankwoord na hun boekpresentatie uitspreken, dus ik schaam me er soms zelfs een beetje voor. Maar gelukkig kan ik me nog steeds niet inhouden. De ergernis moet eruit.

En dat lijkt me eerlijk gezegd een gezonde houding voor iedereen. Alleen dan kunnen we de oprukkende taalverloedering een halt toeroepen.

Als ik iemand op zijn grammaticale misser wijs, krijg ik meestal als antwoord terug: ‘Je begrijpt toch wat ik bedoel?’ of ‘Eus, houd gewoon je bek, man!’, maar ik geef de moed niet op.

We moeten zuinig omgaan met onze prachtige taal. ‘Een meisje die’ is gewoon fout. Het betrekkelijk voornaamwoord ‘die’ kan in dit geval niet naar meisje verwijzen. Het is al erg genoeg dat ‘hun hebben’ nagenoeg is ingeburgerd, net als het vrijblijvend omspringen met de woorden als/dan.

De flexitaliërs mogen niet winnen – dit is een ironisch zinnetje.

Onze taal mag best ontwikkelingen doormaken door invloeden van buitenaf. Het Bargoens is daar een mooi voorbeeld van – over twintig jaar zegt iedereen ‘kech’. Maar dit geldt niet voor onze grammatica, waarover we concrete afspraken hebben gemaakt die iedereen dient na te leven.

Dus als u vanaf dit moment, na het lezen van dit stukje, iemand ‘een meisje die’ hoort zeggen, spreek die persoon er dan vooral op aan. Wijs degenen die zich hieraan bezondigen op de schoonheid van onze taal, die ons uniek maakt, ondanks al onze onderlinge verschillen.

(Deze column verscheen eerder in De Stentor)