Mijn naam is beunhaas
De donkere limousinetaxi stond op de standplaats in Apeldoorn op ons te wachten, vlakbij twee dönerzaken die door het uitgaanspubliek werden belegerd. Ik wierp een blik op de digitale klok van mijn telefoon, keek naar het crapuul dat als een bende halfdebiele mieren door elkaar heen krioelde in een uiterste poging om een broodje te scoren en besloot toen dat ik thuis in Deventer een ochtendmaal zou nuttigen. We stapten met de nodige vertraging in de taxi en vroegen de Turkse chauffeur, een adolescent met een rood petje op zijn kruin, ons naar Deventer te rijden. Dat deed hij. Onderweg vocht ik tegen de slaap. Wij waren met zijn vijven en iedereen was dronken. De bestuurder van de auto zette zijn Turkse muziek op, al telde ik maar twee Turken in de auto, en keek de hele tijd in zijn binnenspiegel naar mij. In het begin liet het me onverschillig, vooral omdat ik dronken was en geen zin had om me op te winden over zo’n loensende flikker. Doch toen hij na vijf minuten nog steeds bleef spieden, wekte het enige argwaan bij mij – de held van onze tijd.
De hele rit zou hij het volhouden om me aan te gapen. Iedere keer als ik terugkeek, concentreerde hij zich op andere dingen, de autoradio bijvoorbeeld en soms zelfs op de weg. In Deventer stapten we uit, we betaalden de taxichauffeur en peilden de status-quo in de binnenstad. Het was bijna 06.00 uur. Kortom: alle cafés sloten hun deuren. Om alsnog de honger in onze magen te beantwoorden, waggelden wij richting de shoarmaboer op het grote plein en sloten we netjes aan in de rij. Tijdens het wachten dacht ik aan mijn leven, en aan hoe kut het allemaal wel niet was. Man, oh man, wat leid ik een ontiegelijk kutbestaan, zeg! dacht ik. Het liefst ging ik ter plekke peiger, zo depressief was ik. Niettemin bestelde ik netjes een broodje bij de besnorde Turkse man en wachtte met engelengeduld tot hij dat zou klaarmaken. Tijdens die activiteit staarde hij me voortdurend aan. Ik vroeg me af of hij een lekkere dochter had met mooie tieten met van die flinke tepelhoven, doch nog meer hield ik me bezig met de vraag waarom die zakkenwasser zijn blik onafgebroken op mij gericht hield.
Ik bedoel, ik ben me terdege bewust van mijn aantrekkingskracht op bronstige homoseksuelen, niet op de laatste plaats omdat ik zo heerlijk charismatisch ben en daarenboven alles heb wat zo’n reetridder wenst, doch deze man was niet echt het prototype van de gemiddelde flikker. Zijn belangstelling voor mij was zo groot, dat hij twee keer het broodje verkeerd bereidde. Eerst vulde hij het met kalfsvlees in plaats van kip, en toen smeet hij er sambal op – terwijl ik toch echt om knoflook had gevraagd. De shoarmaknecht overhandigde mij bevend het broodje, plaatste zijn handen op zijn lendenen en bestudeerde hoe ik mijn ochtendmaaltijd verorberde. Nu kwamen twee van zijn collega’s naast hem staan. Ook zij keken mij aan, ondanks het feit dat er een enorme rij voor de kassa stond. Mocht ik me ooit iets aantrekken van andere mensen, ik zou me opgelaten kunnen voelen. Nu hielden vooral de vraagtekens mij in hun ban. Wat was er aan de hand? Op het moment dat ik die zaak verliet, hoorde ik de mannen fluisteren. Het ging over mij. Ik draaide me om om te achterhalen waarom ik zo interessant voor hen was, maar zij herpakten hun taken.
Wij namen afscheid van elkaar, mijn vrienden en ik. Ook deze nacht had zijn einde bereikt. Iedereen ging zijn weegs. Tijdens de wandeling naar mijn woning bedacht ik weer dat ik een niemendalletje was, dat uitgaan geen enkel doel dient en dat het louter een hele lange omweg naar huis is. Even speelde ik met de gedachte om in de IJssel te springen, ik was gevoelsmatig klaar met alles en iedereen, maar toen herinnerde ik me ineens dat ik nog een stukje aardbeientaart in de koelkast had staan, en dat wilde ik eigenlijk nog best wel oppeuzelen. Een mens moet prioriteiten stellen, makker. Ik liep langs de marktkooplui, de visboeren groetten mij vriendelijk, de groenteman wenste mij een goedemorgen en de Vietnamese loempiavrouw probeerde me ook op haar eigen debiele manier gedag te zeggen. Net toen ik het plein afliep, richting de rosse buurt, zag ik een Turkse vrouw haar handel uitstallen op de planken. Ze kreeg mij in het vizier en keek me geschokt aan. Ik zag haar mond openvliegen. Het leek er zelfs op alsof ze begon te blozen. De wereld was al ingewikkelde materie, doch nu snapte ik er helemaal geen zier meer van.
Het was een drukke bedoening bij de Bokkingshang, de hoerenbuurt van Deventer. Ik liep alle ramen af en taxeerde de temeiers. De negerinnen hadden wel zin in mij, maar hun vond ik te dik – en te donker. De Nederlandse sletten sloten me bij voorbaat uit omdat ik een buitenlander ben. Kun je het geloven? De verrechtsing van de samenleving heeft ook de prostitutie bereikt. Alhoewel, ik moet eerlijk zijn, het schijnt dat Turkse hoerenlopers dikwijls zo’n wijf in hun kont trachten te neuken in plaats van de gebruikelijke gaten, en bovendien bedelen zij bij die meisjes hen te mogen beffen – dat is het gerucht op de straat. Ah, goed. Dit alles terzijde. Ik had het einde van de straat bereikt, moest nog driehonderd meter lopen naar huis en zag toen een vriend voorbij rijden. Een Turkse jongen. Hij parkeerde zijn auto en vroeg hoe het met me ging. Daarna vertelde m’n vriend dat hij op weg was naar zijn werk. Het was heel zwaar, vertelde hij. Vooral omdat hij roker was. Ik snapte het niet. Hij verhelderde zijn mededeling door te zeggen dat hij aan het vasten was. Ik dacht aan alle verongelijkte Turken die ik die nacht had ontmoet, en een heel mysterie was opgelost. We namen afscheid en ik hunkerde naar mijn huis, en dan in het bijzonder naar de taart in de koelkast.