Mijn vriend zonder naam

Mijn biertje moest ik heimelijk drinken, het liefst bij hem in de keuken. Maar daar vond ik het niet gezellig, in die keuken, het was er koud en bovendien hing er een penetrante geur van dode lammeren, stevig gemixt met de lucht van opgebrande sigaretten. Hij was bang voor de politie en de gemeente, mijn vriend. Van hen mocht hij namelijk alleen blikken bier meegeven aan de klanten voor thuisconsumptie of ja, waar zij de drank dan ook wilden consumeren. In ieder geval was het niet toegestaan om in de shoarmazaak te pimpelen. Maar goed, ik was al flink tipsy, had net de stad verlaten en was voornemens om een praatje te slaan met mijn goede kameraad de shoarmaboer. Ik kom er al twee jaar lang, in het centrum van Zwolle. Zijn naam vergeet ik iedere keer weer. Dat komt omdat ik in die twee jaar zijn zaak nooit nuchter heb betreden.

Hij bood mij – zoals gewoonlijk – een broodje van het huis aan, gevuld met kip, ijsbergsla, uien en veel knoflooksaus. Het standaardrecept. Ik maakte een gebaar waaruit moest blijken dat ik hem erkentelijk was, doch wees zijn geste vriendelijk van de hand. Ik had vooral dorst, zei ik. Twee blonde meisjes, vroeg in de twintig, stevig opgemaakt, doken uit het niets op voor de toonbank en bestelden een ‘doner keepap’. Ik herkende één van de meisjes, zij deed dezelfde opleiding als ik. Misschien gold dat ook wel voor haar vriendin. Het kon zomaar. Wie zal het zeggen? Ze stonden rillerig te wachten op hun broodjes en bestudeerden mij met zijdelingse blikken. Toen keek ik mijn vriend weer aan, die met engelengeduld stond te wachten op de broodjes die hij op de grillplaat van de toastmachine had geplaatst. ‘Doe het niet, Özcan,’ zei hij in het Turks. Ik sloeg zijn verzoek in de wind. ‘Jongedames! Wat brengt jullie zo op deze vrijdagavond in de stad?’

Het meisje van mijn opleiding, van wie ik het wist, begon opgelucht te lachen, alsof ze had gewacht op het moment dat ze een gesprek kon aanknopen met mij. ‘Ben jij niet die jongen die ook dronken rondloopt op school?’ Ze had kennelijk met een prangende vraag gezeten. ‘Dat zou zomaar kunnen,’ antwoordde ik, ‘maar dat is toch niet raar? Er zit een kroeg bij ons in de school, weet niet of jou dat al was opgevallen?’ De meisjes stootten elkaar wat aan en begonnen te geiten. ‘Wat staan jullie daar nu zo achterlijk te lachen?’ Die twee temeiers gaven geen antwoord doch gingen onverstoorbaar door met grinniken. Ondertussen werden hun broodjes vakkundig geprepareerd door mijn Turkse vrind. ‘Luister, mijn bed is niet echt stevig, maar we kunnen de matras wel op de grond gooien en daarop aan de slag gaan. Heb altijd al een triootje willen doen met mondaine kuthoeren die teren op de zak van hun vermogende ouders.’ Ze staakten het lachen, rekenden gauw hun broodjes af, namen die aan en verlieten beledigd de zaak.

Ik nam een clandestiene slok van mijn blikje Grolsch en lachte triomfantelijk naar de hoofdschuddende shoarmakoning, wiens naam ik nog steeds niet wist, maar die wel mijn heel goede vriend is. ‘Waar haal je het lef vandaan?’ vroeg hij mij. ‘Ik zou het niet durven.’ Ik nipte van mijn bier en liet toen het blikje aan hem zien. ‘Hier komt alle moed vandaan.’ Hij moest lachen. Vrij kort daarna kwam een neger de tent ingelopen. Hij bestelde prevelend één voorgedraaide. ‘Wat?’ De neger keek verbaasd om zich heen. ‘Eén voorgedraaide, man.’ Mijn Turkse vrind keek mij aan en vroeg in het Turkse of ik onze gekleurde medemens snapte. ‘Swa,’ zei ik tegen de neger, ‘Het is hier geen coffeeshop. Wat wil je man, een voorgedraaide dürüm?’ De neger bestudeerde nogmaals de ruimte waarin hij zich bevond om vervolgens te vragen: ‘Geen coffeeshop?’ Wij moesten lachen, mijn vriend en ik. ‘Die is twee panden hiernaast, lamlendige lul. Waarvoor ben jij geboren, man? Echt. Serieus. Zonde, man. Je leeft voor niets.’ De neger verliet vloekend de shoarmazaak.

Het vierde blikje bier dat ik in mij goot, zorgde er voor dat de wereld begon te duizelen. Of duizelde ik? Ik sluit niets uit. In ieder geval was het in combinatie met de whisky van eerder die avond mijn ticket naar dronkenmansland. Ik besloot dat ik niet meer zou drinken en wachtte geduldig tot de wereld niet meer bewoog. Dat moment kwam niet. Daarop vroeg ik, eer ik vertrok, met oprechte verontschuldigingen nogmaals de naam van mijn vriend, de shoarmaboer, en beloofde die voor eeuwig te onthouden. Ik slofte naar huis, deed althans een poging, viel onderweg twee keer bijna op de grond en kwam na een half uur tot de conclusie dat ik verdwaald was. Niets nieuws aan de horizon. Ik ben wel vaker verdwaald in Zwolle. Ik greep mijn telefoon uit mijn jaszak en schakelde de navigatie in. Een verwoede poging om mijn thuisadres in te tikken mislukte faliekant. De naam van mijn straat was me namelijk ontschoten. Vervolgens ging ik op een motorkap liggen, net zo lang tot ik weer helder van geest zou zijn. Twee uur daarna werd ik wakker. Ik probeerde de naam van de shoarmaboer op te roepen. Dat lukte niet. Toen liep ik maar naar huis. Ik wist weer waar ik woonde.