Moslim

… stond ik oog in oog met een échte moslim. ‘Alhamdulillah,’ zei Bilal. Daarna vroeg hij of ik literflessen Bacardi van hem wilde overnemen, die hij goedkoop via een vriend had geritseld. Ik informeerde of hij ook whisky verkocht, bij voorkeur Jack Daniel’s, maar dat was niet het geval. Bilal kon wel andere sterkedranken regelen, ‘heel veel’, desnoods een vrachtwagen vol en voor de helft van de winkelprijs, omdat ik zijn broeder was.

Ik wachtte met hem naast de auto van m’n beste vriend, die allerlei gewichtige zaken ging regelen bij de gemeente, daar kon hij mensen met ons voorkomen niet bij gebruiken, naar eigen zeggen. Ik snapte er niks van. Bilal is een grote Turk, die zich weliswaar slecht kleedt, maar echt verwaarloosd of agressief zag hij er niet uit. En ik? Ik kan soms boos kijken. Maar ik stink niet en mijn kleding is van allerlei dure merken.

Soit, zoals de Fransen zeggen.

‘Ik ga even een jointje draaien, vind je dat erg?’ vroeg Bilal. Ik vind niks erg. Iedereen moet maar doen wat hij niet laten kan, als ze mij maar met rust laten. Hij legde een vloei op het dak van de auto, trok een blokje hasj tevoorschijn, verkruimelde dat en vermengde de korrels met tabak. Hier was sprake van een geijkt proces.

‘Dit is special, beter verkopen ze niet in Nederland. Wil je straks een trekje?’

‘Nee, dank je wel.’ Ik haalde biggetjes van Katja uit mijn jaszak. ‘Wil jij een snoepje?’

‘Is dat met E471?’ vroeg Bilal.

‘Ik heb geen idee.’

‘Kijk even, dat mag ik niet. Ik ken al die E-nummers uit mijn hoofd.’

‘Want?’ vroeg ik.

‘E471 is varkensvlees, dat is haram. Alhamdulillah, je weet toch.’

‘Ik denk niet dat er varkensvlees in snoep zit.’

‘Dan weet jij niks, vriend. Wat dacht je van winegums? Daar zit gelatine in. Ook haram.’

Hij likte de vloei dicht met zijn grote roze tong. Daarna stak hij de joint aan. Zijn ogen twinkelden van geluk. Ik stopte een biggetje in mijn mond en staarde naar de deur van het gemeentehuis, terwijl de rook en geur van zijn creatie mij bijna bedwelmden.

‘Ik heb een lekker wijf geregeld. Ik ga haar straks neuken,’ zei hij.

‘Je bent toch getrouwd?’

‘Ja, maar ik ben ook een echte man.’ Hij nam nog een hijs. ‘Wil je zeker weten niet?’

Ik sloeg wederom af.

‘Ik heb trouwens ook een partijtje watermachines. Heb jij er eentje nodig?’ vroeg Bilal.

‘Wat is dat?’

‘Dat zijn van die apparaten, weet je wel, die altijd op kantoren en in apotheken staan. Met zo’n grote tank erop, voor bezoekers tijdens het wachten. In de winkel kosten ze vijftienhonderd euro, maar jij mag eentje voor negentig euro hebben. Omdat je mijn broeder bent.’

‘Nee, dank je wel,’ zei ik. ‘Niet nodig.’

Het ging regenen, dus we stapten maar in de auto, die slordig langs een stoep stond geparkeerd. Op het dashboard lag een boterhamzakje met bolletjes. Ze waren belegd met vlees. Ik pakte een en nam een flinke hap eruit. Bilal bleef achter het stuur voor zich uitstaren, volgens mijn trad de hasj nu in werking.

‘Wil je ook een broodje?’ vroeg ik.

‘Wat zit erin?’

‘Kipfilet.’

‘Weet je het zeker? Ik mag het risico niet nemen. Straks is het nog varken.’

‘Wat dan?’

‘Dan ga ik naar de hel. Dat weet je toch, vriend. Het is verboden.’

‘Ja, ik snap het,’ zei ik.

Hij lurkte aan zijn jointje. Ik dacht aan hasj, Bacardi, buitenvrouwen, watermachines en wat dies meer zij, en vond geloof maar een ongrijpbaar fenomeen.

‘Iedereen heeft zijn gebreken,’ zei Bilal alsof hij mijn overpeinzingen hoorde. ‘Straks aan de deur van de hemel ziet God wie de echte moslims zijn. Ik ben er gelukkig eentje, dan ga ik naar het paradijs. Alhamdulillah.’