Nacht (door Rianne Meijer)

Eerst dacht ik dat ik me vergiste. Maar toen ik dichterbij kwam, zag ik dat het helemaal geen verbeelding was. Er lag een jongen midden op het fietspad. Op zijn rug, met gesloten ogen, zijn handen keurig in zijn schoot gevouwen. Zou hij dood zijn? Met het puntje van mijn laars, duwde ik voorzichtig in zijn linkerzij. Geen reactie. Ik porde nogmaals, nu iets harder. Toen hij verontwaardigd kreunde, haalde ik opgelucht adem. Hij leefde in ieder geval nog.

Ik liet me op mijn hurken zakken. ‘Waarom lig jij midden op het fietspad?’ Ik toeterde de jongen, die nog steeds niet geneigd leek in beweging te komen, in zijn oor. ‘Het is onder nul en je hebt niet eens een jas aan. Straks vries je nog dood.’ Glazig keek hij me aan. Toen hij zijn mond opendeed, dreef een bierwalm mijn kant op. ‘Ik was gewoon een beetje moe. ‘ Ik zuchtte. Het is moeilijk winnen van dronkemanlogica, zeker om drie uur ‘s nachts. Even kwam ik in verleiding op te staan en de zuiplap achter te laten. Maar ik wist eigenlijk meteen dat ik zoiets nooit zou kunnen. Meteen hoorde ik de sarcastische stem van mijn moeder in m’n hoofd als ik vroeger weer eens een kikker met drie poten of gewonde kever mee naar huis had gesleept. ‘Die dochter van ons schijnt te denken dat ze de nieuwe Florence Nightingale is.’

De jongen had zijn ogen ondertussen weer gesloten. Ditmaal kneep ik hem hard in zijn bovenarm. ‘He!’ riep hij verontwaardigd. ‘Dat deed zeer joh!’ Spontaan begon ik te lachen. Nu keek hij nog verongelijkter. ‘Sorry’ zei ik. ‘Maar je kan hier echt niet blijven liggen. Het is midden in de nacht en het is koud. Waarom ga je niet gewoon naar huis?’ Direct veranderde zijn gezichtsuitdrukking. Hij slikte hoorbaar. ‘Omdat ik nergens naartoe kan.’

Oh God, hij ging toch niet huilen? Op de een of andere manier had ik er een handje van mensen aan het janken te maken. Beslist niet expres, want ik kan helemaal niet tegen dat soort narigheid. Toch leek het me telkens weer te gebeuren. Het was bijna een vloek: zodra ik ten tonele verscheen, sloegen mensen spontaan aan het grienen.

Ondertussen was de jongen rechtop gaan zitten. Voor iemand die vermoedelijk aardig wat alcohol achter zijn kiezen had, keek hij verrassend helder uit zijn ogen. ‘Je woont toch wel ergens?’ Direct had ik spijt. Jezus, kon ik niet gewoon een keer mijn mond houden? Zo maakte ik het vast alleen nog maar erger. ‘Mijn vriendin heeft me er gisterenavond uitgeschopt.’ Hij keek om zich heen, reikte vervolgens naar zijn rugtas, die op de rand van de stoep stond, en haalde twee blikjes bier te voorschijn. ‘Wil je?’

Even twijfelde ik. De jongen zag er ongevaarlijk uit, maar wist ik veel. Voor hetzelfde geld was het een verkrachter. Of een moordenaar. Zijn buren vonden Ted Bundy ook altijd zo’n aimabele man. Wederom zag ik mijn moeder in gedachten vermanend knikken. ‘Nooit met een vreemde mee naar huis gaan!’ Maar wist zij veel. En zoveel goed had het me de laatste jaren niet gedaan om naar haar te luisteren. ‘Je moet andere mensen niet lastigvallen met je problemen. Straks krijgen ze genoeg van je.’ Dus was ik altijd lief en vrolijk geweest. Maar het had niets geholpen. ‘Doe maar,’ antwoordde ik uiteindelijk. Ik nam een grote slok. En wilde die het liefst meteen weer uitspugen. Gatverdamme, eigenlijk lustte ik helemaal geen bier.

‘Wat doe jij op dinsdag om drie uur ‘s nachts alleen op straat?’ vroeg hij toen. ‘Ik wandel.’ Stiekem hoopte ik dat hij daarmee genoegen zou nemen. Dom, natuurlijk. De tegenvraag kwam meteen. ‘Waarom?’ Ik moest het echt uitleggen. ‘Omdat ik niet kan slapen. Dus loop ik, net zolang tot ik zo moe ben dat mijn lichaam te uitgeput is om nog langer te denken. De stad is veel interessanter ‘s nachts, wist je dat? Alles lijkt mooier in het donker. En soms is het even helemaal stil.’

‘Ik snap het’. Hij rilde. Plotseling nam ik een besluit. ‘Ik woon hier praktisch om de hoek, als je wilt, kan je wel meelopen. Ik heb een extra matras in de studeerkamer liggen; het is niet heel comfortabel, maar dan heb je vannacht in ieder geval een bed.’ De jongen keek me aarzelend aan. ‘Weet je dat wel zeker? Ik bedoel, je kent me helemaal niet natuurlijk. Ik vind het heel lief van je, maar snap best dat je niet zomaar een vreemde dronkenlap mee naar huis neemt.’ Dit was mijn way out. Moest ik die niet gewoon grijpen? ‘Ik weet het zeker. En ik heet Sanne, trouwens. Jij?’

‘Mark. Dank je wel’. Daarna stond hij op, sloeg zijn broek af en hielp me overeind van de stoep. ‘Welke kant moeten we op?’ Ik wees naar links. Terwijl we in de richting van mijn huis liepen, stak ik mijn handen diep in mijn zakken. Onze adem vormde witte wolkjes in de lucht. Ik luisterde naar het geluid van onze voetstappen. Verder was het nog altijd doodstil.

Nadat ik met veel moeite de deur van het slot had gedraaid – daar moest echt eens iemand naar komen kijken – ging ik hem voor naar mijn woonkamer. ‘Ik heb weinig te drinken in huis, ben ik bang. Maar ik kan wel thee zetten? En wil je soms douchen? Je zal het wel ijskoud hebben.’ Vragend keek ik hem aan. ‘Thee is prima. Ik douche liever morgenochtend, als dat oké is. Eigenlijk ben ik best wel moe.’

‘Anders ik wel,’ antwoordde ik. Toen het water kookte, verdeelde ik het over twee mokken en ging op de bank zitten. ‘Wil je trouwens vertellen waarom je nou precies op straat lag te slapen? Of heb je geen zin om daarover te praten?’ Wederom werden zijn ogen glazig. ‘Omdat ik alles heb verpest. En dat terwijl ik haar eindelijk had gevonden. Ik had nooit een vaste relatie. Teveel gedoe, te weinig vrijheid, te veel verplichtingen. Maar toen ontmoette ik haar en bleek dat allemaal niet meer uit te maken. Totdat ik bang werd. Toen heb ik het kapotgemaakt. Ik ben een laffe klootzak.’

Ik dacht even na. ‘Maar iedereen is bang. We doen altijd maar alsof we precies weten waar we mee bezig zijn, alsof we ons nergens zorgen over maken, alsof we niet twijfelen aan onszelf. Hoe we eruit zien. Wie we zijn. Wat we denken. Maar dat is gelul. Want de waarheid is dat we allemaal geen flauw idee hebben. En dat de meesten van ons maar wat doen. Het is niet erg om dingen eng te vinden. Het is niet erg om dingen te verpesten. Shit, ik doe niks anders. Dacht je dat ik voor de lol de halve nacht door de stad liep? Dat doe ik omdat ik het ook allemaal niet weet. En hoe je dat nou precies moet doen, gelukkig worden. Maar soms, heel soms, dan snap ik de wereld ineens. Om die momenten is het uiteindelijk allemaal te doen.’

Een beetje verlegen keek ik hem aan. Wat zou hij na mijn speech van me denken? Straks denkt hij nog dat ik krankzinnig ben. Hij zou niet de eerste zijn. Maar er was geen afkeer op zijn gezicht te lezen. Wel iets anders, al kon ik niet precies thuisbrengen wat. Stilzwijgend bleven we naast elkaar op de bank zitten. Ik gaapte en zakte een beetje tegen hem aan. Hij gaapte terug en sloeg zijn arm om me heen. Gek. Het voelde alsof we elkaar al eeuwen kenden.

Terwijl hij zijn lege mok neerzette, aaide hij met zijn vrije hand door mijn haren. Daarna zoende hij me. Hij smaakte naar een wonderlijke mix van bier, sigaretten en aardbeienthee. Ik zoende hem terug. ‘Best lekker’, dacht ik. En viel eindelijk in slaap.

Rianne Meijer debuteerde vorige maand met haar autobiografische roman ‘De Ana files‘ bij uitgeverij Prometheus. Bestel het boek hier of hier of voor mijn part hier. Volg haar ook op Twitter. Wel doen. Anders bel ik de politie. Nog liever doe ik dat niet. Want ik vind de politie maar een bende zwakzinnige hufters.